Historische Vereniging ‘Roon’   (Roden)

 

Voorwoord

Als U deze Roon ontvangt is het zestig jaar geleden dat Roden werd bevrijd van de Duitse bezetting. Deze bezetting heeft ook in ons dorp diepe sporen achtergelaten. Veel is hier al over geschreven en verteld. In dit speciale nummer extra aandacht voor verhalen van nabestaanden, de speciale rol van een aantal vrouwen en voor het alledaagse leven. Daarnaast een aantal artikelen van Roners welke deze periode bewust hebben meegemaakt en daarvan verslag hebben gedaan of hierover zijn geïnterviewd. Het feit dat deze uitgave van Roon meer dan het dubbele aantal pagina’s bevat dan normaal geeft aan hoe alles wat met de oorlogsperiode 1940-1945 te maken heeft nog leeft in Roden.

Alle leden en niet-leden die hebben bijgedragen, in welke vorm dan ook, aan deze bijzondere uitgave van Roon hartelijk dank hiervoor!

De redactie

 

 

Deugen en niet deugen

 

Het blijft pijnlijk hoe het voor, in en na de oorlog is verlopen in het o zo rustig lijkend Roden. Het pijnlijke zullen veel huidige en jonge inwoners niet kennen. Het is 60 jaar geleden, het is voorbij. Voor geboren en getogen Rodenaren zit er wel oud zeer, met hier en daar een onverwerkt verleden tijd. De internationale dreiging landt door het gebeuren in de laatste twee oorlogsjaren onvermoed hard in het dorp. Het Drentse Roden haalt daarmee later de landelijke pers.

In de uitgave ‘Roden 1940-1945 bezetting en bevrijding’ uit 1995 staat dat Roden gedurende de twee laatste jaren van de bezetting één van de gevaarlijkste gemeenten van ons land is geweest. Even is Roden een beeld van wereldpolitiek op lokaal niveau.

 

   

Hendrik Otter, communist in Roden.

 

Enige cijfers

In 1940 heeft Roden ongeveer 6000 inwoners. Aan het eind van de oorlog telt het dorp 30 directe oorlogsslachtoffers en ruim 40 personen, die na opsluiting of verhoor terugkeren.

Dat is 1% direct getroffenen. Een onbekend aantal personen gaat onderduiken, pleegt soms ondersteunende verzetsactiviteiten of negeert bevelen. Totaal zal het de 5% procent niet overstijgen.

Dertig Rodenaren komen om waarvan twaalf personen door verzet, elf joden, vier door tewerkstelling in Duitsland, twee soldaten in mobilisatietijd, één door het bombardement op Roden. Op vijf joodse vrouwen na zijn het allemaal mannen.

Daarnaast zijn ongeveer 50 personen lid van de landwacht van de NSB. Aansluitend sympathiseren relatief velen met de NSB, waarvan 1943 het hoogste percentage geeft. Het overgrote deel van de bevolking was een beetje dit en een beetje dat, het was grijs. Hoewel velen zich na de oorlog graag bij overwinnaars en verzetsmensen schaarden, kan de conclusie niet anders zijn, dan dat de meeste mensen in het grote grijze tussenveld opereerden. Het was een bange periode, waarin ieder op zijn of haar manier probeerde te overleven. De meesten waren geen held en geen schurk.

 

Herinneringen

In deze uitgave gaat het niet alleen over wat in Roden is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is helder beschreven in het blauwe boekje ‘Roden 1940-1945 bezetting en bevrijding’ van 10 jaar geleden (helaas uitverkocht). Het gaat meer over hoe mensen, hoe kinderen van.... het zich herinneren, verteld hebben gekregen of hebben ervaren. Het is heel goed mogelijk dat anderen een totaal andere herinnering aan deze periode hebben overgehouden. Herinneringen zijn persoonlijk en dus subjectief. Bovendien valt niet alle informatie na te gaan. Kinderen van slachtoffers, ze hebben het geweten, kinderen van NSB-leden, ze hebben het gemerkt. Bij de laatsten laten we de namen weg. Het is pijnlijk en ongemakkelijk, omdat de scheidslijnen tussen mensen van het verzet en van de NSB soms dwars door een gezin, familie, vriendschappen of buurt heen lopen.

 

Gevolgen jaren dertig

Vóór de oorlog is het economisch gezien een beroerde tijd. De Rodenaren doen hun uiterste best om in de economische crisis te overleven. Met iedereen gaat het slechter, maar de een heeft meer reserves opgebouwd dan de ander. Ieder ontwikkelt een eigen overlevingsstrategie. Met de oorlog komt daar nog de angst voor de bezetter bij.

Velen grijpen naar houvast, zoeken naar een verklaring of volgen een aangereikt toekomstbeeld. In Roden komen we alle richtingen tegen, die ook landelijk spelen. Het verschil is dat het hier in personen en namen herkenbaar wordt.

 

Joden

Er wonen dertien joden in Roden. Slechts één gaat net op tijd onderduiken en zal met haar oorlogskind overleven. De anderen worden  in 1942 geruisloos gedeporteerd. Het was niet gemakkelijk om in Roden een onderduikadres te vinden. Zo komen elf joden om. De meeste hebben geen actie ondernomen om aan het dodelijk gevaar van Auschwitz te ontkomen. De joden gaan niet in verzet, de trein staat klaar, ze gaan mee en keren nooit meer terug.

 

Communisten

Roden kent veel mensen die sympathiseerden met het communisme, zoals blijkt uit de twee gekozen communisten in de gemeenteraad. In Alteveer en directe omgeving woonden veel arbeiders en dus veel sympathisanten. Het zijn de arbeiders die het economisch gezien het moeilijkst hebben, hun situatie is vaak uitzichtloos. Kinderen met weinig kansen en weduwes die een tweede huwelijk als overlevingsstrategie kiezen, waarbij niet zo kritisch naar de nieuwe partner kan worden gekeken. Als Rodenaren volgens een spandoek in de tuin van een NSB-voorman moeten kiezen tussen Mussert of Moskou, dan is hun keuze Moskou. De Duitsers verbieden in 1940 deze partij. Een gemeenteraadslid wordt opgepakt, met als enige verzetsdaad lid van de gemeenteraad te zijn. Een ander komt voor op een lijst van personen die zegeltjes plakken voor die communistische richting. Voor beiden voldoende om zonder veel ophef uit Roden afgevoerd te worden. Ze gaan mee en vinden hun einde in het kamp Neuengamme.

 

NSB

Veel boeren sympathiseren met de landbouwbeweging Landbouw en Maatschappij, opgericht door Jan Smid uit Smilde. Later is deze beweging opgenomen in de NSB met Mussert als de nationale man. In 1935 haalt Mussert 11 % van de stemmen in Drenthe om in 1937 terug te lopen naar de helft. In Noord-Drenthe verdubbelt het ledental weer in 1940 om de top in 1943 te halen met vier keer zoveel leden. De zandgronden kennen het hoogste NSB-percentage van Nederland.

Veel ideeën van de NSB passen goed bij de gedachtegang van veel boeren op de zandgronden. De dertiger jaren waren voor de boeren op de zandgronden relatief slecht. De NSB-idealen spreken aan met propaganda voor een nationale staat binnen een statenbond van Germaanse landen, van vreemde, vooral joodse smetten vrij en met een sterke leider. Boeren staan ook open voor een grote binding van generatie op generatie aan grond, de ‘bloed en bodem’-theorie, uitlopend in slogans als ‘boerenland in boerenhand’. Maar het is vooral Hitlers economisch beleid dat lokt, waar boeren sterk van profiteren. Eindelijk komt er weer geld op tafel. Het heil komt uit Duitsland en de NSB geeft daaraan voorbeeldig vorm in Nederland. De toon wordt steeds meer anti-joods. Dat het een oorlogseconomie is die Nederland zelf kan verminken wordt verbloemd.

Roden kent een paar personen die de NSB-gedachten slim laten landen. Veearts Luitjens kan goed praten, heeft een universitaire studie gevolgd, komt dagelijks langs bij boeren en in­jec­teert deze gedachten bij wie ervoor openstaan. De zoon van Luitjens handelt in de lijn van de vader en zal de echte schrik van Roden worden, waarmee hij het landelijk nieuws haalt.

Roden telt in de oorlog bijna 50 landwachten met politiebevoegdheden. Ze mogen een jachtgeweer dragen. Er komen NSB-burgemeesters, er zijn fanate NSB-ambtenaren, er komen boerenleiders en er sterven twee personen als frontsoldaat in het Duitse leger.

Als de Duitsers Nederland binnenvallen, haken velen af, maar anderen stromen toe, waaronder veel meelopers, die nieuwe kansen en soms een baan zien.

Na mei 1945 worden in Nederland 130.000 politieke verdachten opgepakt, in kampen geplaatst en heropgevoed. Hiervan krijgen 60.000 een straf van een maand tot een aantal jaren. Daaronder zijn ook mensen uit Roden, die in ‘het stro hebben gelegen’, zoals men dat toen noemde.

 

Kerkelijken

Roden kent gereformeerden en streng hervormden. Vanuit die hoek (en vanuit de Nederlandse R.K. kerk) is in de dertiger jaren gewaarschuwd voor het nationaal-socialisme. Dat past niet bij die kerkelijke richtingen. Hun landelijke voormannen waarschuwen in de dertiger jaren al dat het nationaal-socialisme en het fascisme onchristelijk, in strijd met de geloofsbelijdenis en een principieel foute gedachtegang is. Verzet is geboden tot aan gewapend verzet in de oorlogstijd toe. Zes slachtoffers komen uit deze denkrichting. Binnen deze groep zijn er gematigden en fanatiekelingen. En er is een groep die zowel fel anti-Mussert als anti-Rusland is. De kerkelijken kiezen veelal niet tussen Mussert of Moskou. Ze kiezen voor principes, kennis en onderwijs.

 

Vrijheid en avontuur

Sommigen laten zich meer leiden door zucht naar avontuur, door een liefdesrelatie, door toevallige contacten, door een familieband of door een sterk gevoel voor vrijheid, met stellingname tegen inperking daarvan. Het lag niet zo in de aard en mentaliteit van Rodenaren om in het verzet te gaan, zoals elders in Drenthe. Met de oproep van de Duitsers in 1943, dat dienstplichtigen zich moeten melden om voor taken ingezet te worden verandert die houding voor velen. De meistaking volgt, met drie slachtoffers uit Roden en velen die onderduiken. Het is een waterscheiding en de opmaat voor de laatste twee grimmige jaren in Roden.

 

Overlevers

De meesten willen alleen maar werken voor hun bestaan en overleven. De zorg om het gezin, de angst, de opdrachten van hogerhand zijn gedragsbepalend. Je volgt de opdracht om naar Diever te gaan: putjes te graven of naar Wilhelmshaven om te werken. Soms kun je er niet aan ontkomen. Vier personen vinden zo de dood in Duitsland.

Sommige mensen zijn in de praktijk altijd opportunist, lijkend op een rietstengel die wel op dezelfde plaats blijft staan, maar de buiging van de pluim laat bepalen door de windrichting.

In het grote grijze gebied deug je soms wel, maar doe je geen goed, soms deug je niet, maar sticht je geen kwaad. Je doet een dorpsgenoot liever geen kwaad. Velen zeggen, ik was misschien fout, volgde misschien een foute theorie, maar ik was niet slecht. De overtuiging, het karakter, het temperament en de daden van de persoon bepalen hoe er later in de onderlinge contacten door Rodenaren over je wordt gesproken.

 

 

Ik kan me nog niet indenken dat we deze vijf jaar zijn door­gekomen...

 

Geertje Kemkers-Bartol

 

Bovenstaande zin wordt door Geertje Kemkers-Bartol op 10 mei 1945 in haar dagboek genoteerd. Het dagboek in de vorm van een schoolschrift, begint op 3 april 1945 en eindigt op 18 november 1945. Gedurende die periode zijn er door Geertje dagelijks aantekeningen gemaakt van gebeurtenissen in Roden, zoals zij die waarnam en ervoer. Speciaal de periode 3 april t/m 10 mei 1945 is interessant, omdat het een inkijk biedt in het ‘gewone’ leven van Roners vlak voor en na de bevrijding. Daar waar het om zeer persoonlijke zaken ging of gebeurtenissen die niet direct slaan op de Rodense situatie is in sommige gevallen tekst weggelaten.

 

Geertje Kemkers-Bartol

Geertje werd geboren in Peize in 1918. Na haar schooltijd heeft zij gewerkt bij café Bolhuis te Groningen en bij de familie Römelingh, waarvan de man burgemeester van Peize was. Direct na haar trouwen in 1942 met Hennie Kemkers uit Roden is zij met haar man vertrokken naar Roden. Het paar ging wonen in een gedeelte van het pand van de familie Hoekstra in de Schoolstraat, recht tegenover de toenmalige Scheepstraschool. In de oorlogsjaren waren hier Duitse soldaten gelegerd. Tijdens de bevrijding van Roden in april 1945 heeft deze school korte tijd gediend als verblijfplaats voor aangehouden en opgebrachte NSB-ers. Na de oorlog is het echtpaar verhuisd naar de woning van de familie Bieringa aan de Heerestraat. Daarna werd een woning betrokken aan de Zulthereschweg, waar het paar veertig jaar heeft gewoond. Hennie Kemkers en Geertje Bartol kregen twee kinderen. Zoon Jan, momenteel wethouder van de gemeente Noordenveld en dochter Tiny die jarenlang op het gemeentehuis heeft gewerkt. Geertje Kemkers was naast haar penvaardigheid ook zeer bedreven in het hanteren van naald en schaar. Alle nog bruikbare kleding werd vermaakt tot passende jassen, broeken etc., terwijl daarnaast alle mogelijke nieuwe kleding werd genaaid.

Haar dagboek werd min of meer toevallig ontdekt door haar dochter Tiny Renkema-Kemkers bij de naaispullen en naaipatronen van haar moeder. Thuis werd er nooit over gesproken en niemand van haar kinderen was op de hoogte van het bestaan hiervan. Wel was bij de familie bekend dat moeder Geertje regelmatig zat te ‘kriebelen’ en bijvoorbeeld tijdens vakanties notities maakte. Geertje Kemkers-Bartol is in 1998 op 79 jarige leeftijd overleden.

 

DAGBOEK VAN G. KEMKERS-BARTOL

 

3 april

Het is vandaag slecht weer, het heeft geonweerd en er is storm. De paaschdagen waren niet mooi, het was slecht. De Duitschers zijn gisteren gelukkig weer vertrokken. Zullen ze hier nogmaals komen?

4 april

Vandaag is het weer iets beter alhoewel het nog gemeen koud is. De Tommies schieten flink op, ze zitten al in Zutphen. Vandaag werd er rouwdienst gehouden bij de fam. Aukema en Scharft.

5 april

Koud weer en nog buiig. Het is vandaag een stille dag. Geen vliegtuigen en geen gerommel.

6 april             

Nog koud weer maar het klaart weer op. De wind is in het oosten. Hennie heeft het erg druk met zand om huis te maken. Het is al zeven uur en hij is nog niet klaar. Hij werkt veel te hard.

7 april             

Hetzelfde weer als de voorafgaande dagen. Joukje is naar Assen geweest om Pa Hoekstra op te halen en ze is zonder fiets teruggekomen. De fiets hebben de Duitschers haar afgenomen. Ze vindt het erg jammer want er zaten nog zulk goede banden om. De Tommies schieten hard op. Coevorden is ingesloten en de Tommies rukken op naar Hoogeveen.

8 april             

Vandaag zouden wij naar de Bioscoop maar nu is Stevie Brink onverwachts ziek geworden en hij moest naar het ziekenhuis. Het is diphterie en hij heeft het erg te pakken. Hennie is met de auto mee geweest en is lopend teruggekomen De Tommies zitten nog ongeveer 35 km. van Assen. Er wordt hier de hele dag druk door jagers geschoten, vermoedelijk op de verkeerswegen. Alles wat rijdt wordt beschoten. Verder zijn er in Norg parachutisten geland. Ze hebben een boerenschuur waar ze in zaten in brand geschoten.

9 april             

Hennie is naar het veen turf te graven. Hij is er lopend naar toe en heeft in Lieveren melk gehaald. Het weer is nog steeds koud.

10 april           

Een emotievolle dag. De Duitschers laten de tram met onderdelen van de V1M in de lucht vliegen. Ik ben lopend naar Vader en Moeder geweest. We konden het erg best zien. Het heeft de hele middag gerookt. Ze hebben verder de hele middag geschoten.Telkens waren er vier jagers. Hennie is weer met Klaas van der Spoel naar het veen. Ze hebben daar nog met een vrouw gesproken die kwam uit Zutphen. De NSB-ers zijn erg bang ze weten niet waar ze moeten kruipen.

11 april

Het was erg mooi weer. Er wordt niet zoveel geschoten en we horen niet zo’n gebulder als gisteren. Toch moeten de Tommies al in Assen geweest zijn.

12 april           

Weer is in de morgen koud maar ’s middags komt de zon en dan is het weer prachtig. Hennie zit nog steeds op het veen te graven.Vandaag hebben ze 21 lijken gevonden in Norg in een massagraf. Wie het zijn weten ze niet. Ze zijn gekist en opnieuw begraven op de begraafplaats. Wie zal deze slag weer treffen? Zouden er ook nog Rode­naren bij zijn?

13 april           

Vandaag was Burgemeester Römelingh jarig.We konden hem helaas nog geen hand drukken. De Tommies zitten zo de mensen zeggen al in Assen. Verder was het voor de radio dat president Rooseveldt is overleden. Dit is de laatste dag van Jo Hoekstra’s vrijgezellentijd. Het bruidsbouquet ligt hier al in de bedstede. Vandaag zullen al de bruggen worden opgeblazen. Zojuist vlogen hier een 5-tal tanks door het dorp. Ze zeggen dat het Canadezen zijn. Ze kwamen van de richting Zevenhuizen en gingen weer naar Norg.

14 april           

Vandaag was het een bijzondere dag. Het was de trouwdag van Jo en Hennie die ondanks de ver­warring toch nog kon doorgaan. Vandaag is het de lang verwachte Vredesdag. We zijn de hele middag en avond op de bruiloft geweest. Het was er niet heel feestelijk. De stemming ontbrak. We hoorden de hele tijd kanonnen bulderen die lagen nog voor de stad. Of de stad gevallen is weten we nog niet, ze zijn er allemaal naar toe. Ik hoop van wel, alhoewel het gisteravond nog niet gebeurd was. Ze hebben de hele stad vannacht onder de schijnwerpers gehad en op twee plaatsen brandde het. Gisteravond om negen uur was het feest afgelopen maar toen zijn we het dorp nog ingegaan, daar liepen nog zoveel menschen. De ondergrondse zou nog komen en die kwam om half tien. Het was een gejuich en een gejubel. Ze zongen het Wilhelmus en Wien Neerlandsbloed en we willen Holland houden enz. Het heeft geduurd tot 12 uur en toen riepen ze af dat de menschen naar huis moesten gaan en dat we in het vervolg om 9 uur binnen moesten zijn. S. Zuiderveld is ook terug, gevlucht uit Duitsch­land. Hij werd gisteravond op het gemeentehuis geroepen. Hij zal wel in de ondergrondse gezeten hebben. Burgemeester Römelingh is ook weer boven water en is weer terug in Peize. Daar hebben ze de Landwacht al opgehaald. Ze lopen hier al met Oranje op de borst. Voor Hennie is het een zware dag want ze zit in angst over haar Vader en broer, ze heeft de hele tijd zitten huilen. Ook geen prettige trouwdag maar zo is het leven nu eenmaal, niet altijd zonneschijn.

15 april           

Het is vandaag zondag en ze hebben al heel wat mensen opgehaald. Er wordt gejuicht en gejoeld als ze een binnen brengen en Roden zit vol met mensen. Ze worden hier in de school gebracht. Er zijn vrijwilligers opgeroepen en er hebben zich al heel wat gemeld. Het was een rare dag en een vreselijke vernedering voor die mensen die eens met een geweer achter andere mensen liepen en nu zelf arrestant zijn. Enfin ze hebben niets anders verdiend.

Mooi Liesje hebben ze het haar kaal van de kop geschoren en toen moest ze voor het volk langs marcheren. Het moet een ontzettend gezicht zijn geweest.

16 april           

De arrestanten komen nog steeds binnen. De meeste hebben ze hier al in de school. Vanmorgen nog even naar Lieveren geweest om melk. Vanmiddag gaan we naar de stad. We konden er eerst niet inkomen, maar met een half uur werd het weer vrij gegeven. Ze schoten met het zware geschut dat in Eelde staat, want de stad is nog steeds niet gevallen. Het is meest SS en Landwacht enz. en ze willen zich nog niet overgeven. De stad ziet er raar uit en het waren allemaal Canadezen. Soms rollen de tanks maar door de stad met zo’n geraas dat je er doof van wordt. Het zijn leuke jongens en erg bruin, ze zijn allemaal vrijwillig. Voor Hennie nog vier sigaretten opgescharreld. In de stad ziet het er erg raar uit, er zijn heel wat huizen kapot. De fam. Bolhuis is er goed afgekomen maar ze hebben ook wat kapot.

17 april           

We hebben nog steeds zondag. Er komt geen einde aan. Er komen nog steeds arrestanten binnen. Er zijn al heel wat in de school en er komen nog steeds meer ’s Avonds nog even naar Peize geweest, maar de Burgemeester of Mevr. niet gezien. Mevr. was er nog niet, ze zat nog steeds in Winsum en dat was nog niet bevrijd. De stad heeft zich overgegeven en hiermede is de strijd van de Duitsers in de stad afgelopen. Er zaten nog 500 in Peize maar die hadden zaterdagmorgen de witte vlag ook gehesen wat een geluk was, want anders hadden ze het dorpje met de grond gelijk gemaakt. Ben nog even bij de fam. Van Kampen geweest en ook nog in het Burgemeestershuis maar het ziet er raar uit. Er is heel wat in te doen, want het moet helemaal schoongemaakt en behangen en geverfd worden voordat ze er weer in kunnen.

18 april

Hennie moet om vijf uur op wacht bij het gemeente­huis.We zijn nog even door het dorp gewandeld en daar werd juist een NSB-vrouw het haar kaal van de kop gehaald, een klein beetje lieten ze zitten en daar kwam een Oranje-strik op. Het is een ontzettende straf als je voor al die mensen het haar er kaal af krijgt. Om Delfzijl wordt hevig gevochten. Ze hebben al de NSB-ers op een paar na.

19 april

Het individu Luitjens hebben ze gekregen in Leens. Dat gaf een vreugde in Roden. Hij moest zeggen Leve de Koningin, Oranje Boven en nog de dood aan Mussert. Maar het laatste weigerde hij. Daar had hij ook nog gelijk in. Verder hebben ze Max Blokzijl, Prof. De Burlett en Leemhof (de beul van het Scholtenshuis).

20 april           

De dag verloopt rustig. Er is een proclamatie van de Koningin afgekondigd en die luidt als volgt:

            Landgenoten.

            Het uur der bevrijding is thans ook voor u aangebroken.

            Het ogenblik enz….

            Leve het vaderland.

                                                           Wilhelmina.

21 april           

Vandaag is het zaterdag, bij school is alles rustig, ze zijn allemaal aan het werk.

22 april           

Vandaag is het zondag. Teun Hagenauw en de vrouw op bezoek gehad en ’s avonds nog even

naar Pieter en Jantje geweest.

23 april           

Een erg kalme dag. De gevangenen zitten nog steeds in de school. Het weer is nog altijd koud en het vriest ’s nachts nogal.

24 april           

Hennie is de hele dag naar het veen geweest, turf op ‘ringen’. Het wordt weer iets warmer.

25 april           

We zijn op de fiets naar Paterswolde geweest naar de Canadezen. We vroegen naar zeep en cigaretten maar zeep hadden ze niet volgens hun. Nog 3 pakjes cigaretten, tegen 4 eieren geruild en nog een paar gebruikte stukjes zeep. Enfin, we kunnen ons tenminste weer 14 dagen wassen. Mevr. Römelingh gezien en de kinderen. Mevr. was erg mager en haar haar was wit geworden. We hadden een leuke dag, maar vragen om iets is niet erg gezellig.

26 april

Het weer wordt weer iets warmer.Volgens Luitjens komt vandaag het geheime wapen, maar nog niets van gehoord.

27 april           

Het geheime wapen is niet gekomen. Het zal misschien wel de witte vlag zijn. De NSB-ers zijn uit de school, ze zitten nu in een loods bij de zuivelfabriek. We zijn er erg blij om het is hier nu weer stil geworden. Er zijn al heel wat die een kaal hoofd gekregen hebben.

28 april           

De onvoorwaardelijke capitulatie van Duitsch­land aangeboden door Himmler aan Engeland en de Ver. Staten, maar niet aan Rusland, wordt afgewezen omdat het niet de steun had van Hitler. In Holland zullen de Engelsen voedsel afwerpen.

29 april           

De dood van Göring is nog niet bevestigd. Himmler geeft Hitler geen 2 dagen meer. Emden wordt beschoten. Berlijn voor meer dan 2/3 in Russische handen. Familie Hoekstra hebben een brief uit Westerbork gekregen van mevr. Heij­mans, deze was daar visiteur bij de NSB-ers. Ze sneed hun de voering uit de tassen en mantels en 2000 gulden was een gewone klant, maar ze had nog geen klanten uit Roden.

30 april           

Vandaag is onze prinses jarig. Veel vlaggen ziet men niet want het is de hele dag een vreselijke regen.Volgens de nieuwsberichten is Hitler dood maar het is nog niet bevestigd. Engelse vliegtuigen hebben 600 ton eten in Holland neer­geworpen. Dat is 60 spoorwagens vol van 10 ton. Het is te hopen dat het goed terecht komt.

1 mei              

Het weer is iets beter maar nog telkens buien. Engelse vliegtuigen werpen nog meer eten naar beneden.

2 mei              

Volgens berichten zou Hitler stervende zijn. Het weer is weer slecht, de hele dag regen.

3 mei              

Volgens Duitsche berichten is Hitler hedenmiddag gestorven. Tot zijn opvolger heeft hij benoemd adm. Graaf von Dönitz.

4 mei              

Berlijn is gevallen. We hebben vanmorgen de vlag uitgehangen. Nu zijn ze de hoofdstad kwijt. Het is slecht weer bijna de hele dag regen en ontzettend koud. De NSB-ers hebben de school weer in orde gemaakt en de vrouwen moesten hem weer schoon maken. Ze waren nogal vrolijk gestemd. Iemand had iets op het bord geschreven dat luidt als volgt:

            Neem een kop vol opgeruimdheid                               Met een schepje goede moed             

            Daags één lepel zelfbeheersing                         Waar ge een weinig kalmte in doet

            Vind ge dan in dat receptje

            Uwen wensch nog niet vervuld

            Neem dan voor het allerlaatste

            Nog een pleister van geduld

            Maar: Hoop - Doet - Leven

5 mei              

De Duitsche troepen in Nederland hebben vanmorgen om 8 uur de wapenen neergelegd. Hiermede is Nederland bevrijd van zijn onder­drukkers.’s Morgens om half elf was er al een optocht door het dorp met versierde wagens. ’s Middags muziek, echte Vaderlandse liederen en ’s avonds om half tien nogmaals een optocht met lampions door het dorp. Verder heeft Ger­brandy gesproken voor de radio en Deodatus, Venema en Bulthuis. Uit alle huizen waaide de Hollandse driekleur. Het was een indrukwekkende dag. Verder is mevr. Heijemans weer terug uit het kamp Westerbork.

6 mei   

Een stille zondag, de hele dag regen. Ben niet buiten de deur geweest.

7 mei              

Mooi weer maar nog wel een beetje koud.’s Avonds naar Peize geweest om het voetballen te zien. De RAF-Engelse piloten tegen Groningers. De stad won het met 2-1 van de Engelsen. Echte leuke kerels waren het en erg sportieve mensen. ’s Avonds stond er aangeplakt dat ook het laatste deel van Duitsland had gecapituleerd. Hiermede is de strijd in Europa beëindigd en is het Vrede. We weten van blijdschap niet wat we moeten doen. Het is niet te geloven dat het zo is. Wij kunnen ons die wereld niet meer indenken dat alles rustig zal zijn. Dat je rustig kunt gaan slapen. Dat je niet bang behoeft te zijn dat ze je man of jezelf ophalen.We hebben nog de volle ellende niet meegemaakt. Hennie denkt dat dit de laatste oorlog zal zijn, maar ik kan het niet geloven. We zijn dankbaar dat we dit mochten beleven in goede gezondheid en met alles en allen die je dierbaar zijn.

8 mei              

Vandaag is het een feestdag. Overal wappert de driekleur. Om half elf was er een optocht met muziek en versierde wagen. Hier op de Brink was een luidspreker zodat we de hele dag de radio’s konden horen. Churchill hield een radio-rede tot het Britse volk, wat vertaald werd in het Hollands.’s Middags was er weer een optocht en ’s avonds weer. Verder waren er ’s avonds vreugdevuren, het was een indrukwekkend schouw­spel, maar we hebben er erg van genoten.

9 mei              

Vandaag is alles nog feestelijk. Hennie heeft vrij van de post en ’s middags moesten ze nog door het dorp 10 jongens uitgeleide doen die zich hadden opgegeven bij de stoottroepen. Er hadden zich in de omtrek duizenden gemeld maar ze willen maar een paar hebben. Het was wel een plechtig moment toen onder het spelen van ons volkslied de auto’s wegreden. Zullen ze allen weer in ons midden terugkeren?

 

10 mei            

Vandaag is het vijf jaar geleden dat de Duitsers ons land binnenvielen en zodoende ook wij in deze geweldige oorlog betrokken werden. Vijf jaar van kommer en zorg, van geen eten, geen licht, geen brandstof enz. Ik kan me nog niet indenken dat we deze vijf jaar zijn doorgekomen.

 

 

 

Jan Postema en de Venema’s

 

   

Jantje Venema en Jan Postema met hun dochtertje Ella.

 

De ingemetselde namen

Ella Postema (1942) is de enige dochter van Jan Postema (1898), die in Groningen is doodgeschoten en Jantje Postema-Venema (1910-1992). Moeder Postema is een dochter van Hendrik Venema (1880-1963), de oud militair. Hij is de plaatselijk leider van de Orde Dienst (OD), die illegale bladen en wapens verspreiden en lid van de LO. Deze Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers zoekt o.a. onderduikadressen voor wie weigert om in Duitsland te gaan werken, organiseert voedsel, kleding en geld voor onderduikers en voor hun achtergebleven gezinnen. Vanaf het begin zit Jan Postema in het verzet. Hij is principieel tegen het nationaal-socialisme. Jantje Postema heeft altijd voor de volle honderd procent achter de verzetsactiviteiten van haar man gestaan.

We spreken over de reden, waarom de namen van oorlogsslachtoffers van Roden niet ergens op een plaquette staan. “Die namen zijn er wel ,” zegt Ella, “alleen... ze zijn in een koperen rol ingemetseld in het monument op de begraafplaats. Onzichtbaar aan het oog onttrokken.”

Grootvader Venema heeft met instemming van zijn dochter, geprobeerd om dat anders te regelen, maar het stuit op weerstand uit kerkelijke hoek. Sommigen vinden het een ongepaste verheerlijking van verzetsnamen om deze zo openlijk te tonen. Na de gewelddadige dood van J. Postema op 3 mei 1943 is zijn vrouw doorgegaan met verzetsactiviteiten. Veel informatie komt uit haar aantekeningen.

 

Boerenbedrijf Julianaplein 8

In de Tweede Wereldoorlog zit de haard van verzet in de kom van Roden. Er liggen knooppunten op het Julianaplein, de Kanaalstraat en de Beukenlaan. Grootvader Hendrik Venema woont aan de Leeksterweg, het derde huis na de rotonde rechts. In dat huis liggen o.a. wapens en verzetskranten.

Het gezin van Jan Postema woont op Julianaplein 8 en heeft daar een groot gemengd agrarisch bedrijf. Diverse keren komt de Landwacht aan huis om naar onderduikers te zoeken, die zijn er wel, maar worden niet gevonden.

 

3 mei 1943

Er breekt een landelijke staking uit als op 29 april in de kranten het bericht verschijnt dat alle bijna 300.000 Nederlandse ex-militairen worden opgeroepen om als krijgsgevangenen in Duitsland te gaan werken. Jan Postema organiseert vervolgens in Roden de melkstaking. Als stakingsleider roept hij de boeren op om als protest geen melk aan de fabriek af te leveren.

De derde mei is een angstige morgen. Postema zag het eerst nog niet zo somber in, overtuigd als hij was, dat zijn handelen goed was. De burgemeester vraagt evenwel om assistentie. ’s Morgens komen de Duitsers Roden binnen rijden en vragen op het gemeentehuis naar de naam van de stakingsleider en zijn aanhangers. In samenwerking met de NSB en landwachten worden de huizen en mensen aangewezen.

Ella’s vader heeft net vee naar de wei gebracht, wandelt nog even met zijn dochter langs het huis en zit rond twaalf uur rustig aan tafel te eten. Plotseling stopt een auto met gierende remmen voor hun huis. Vader en moeder Postema kijken elkaar aan en weten dat ze snel moeten handelen. Zij loopt naar de voordeur, Jan Postema naar de achterdeur, klaar om te vluchten. Op dat moment stormen twee Duitsers door de voordeur en twee door de achterdeur naar binnen. Jan Postema wordt tussen vier Duitsers, met de karabijn op hem gericht, afgevoerd in een overvalwagen, waarin ook een landwachter zit. Ella’s moeder staat in de deuropening hen na te staren. Ze mogen geen woord meer wisselen. Ook buren volgen wat daar gebeurt. Als afscheid steekt Jan  Postema nog een hand op, die door een wapen van een Duitser wordt weggeslagen. Dat was het afscheid van Ella’s vader.

 

Doodvonnis keerpunt in Roden

Postema wordt via Assen naar het Scholtenhuis in Groningen gebracht en direct ter dood veroordeeld. Dat vonnis zou voor de avond voltrokken worden. Op de trap naar buiten duwt hij twee bewakers opzij en onderneemt een vluchtpoging. Een Duitser doorschiet hem op buikhoogte. Zwaargewond komt hij niet ver. Op de hoek Jacobijnerstraat en St. Jansstraat staan twee agenten van de gemeentepolitie die de achtervolging zien gebeuren. Een politieman trekt zijn wapen en treft Postema van vlakbij in het hoofd. Het lichaam van Jan Postema zal tot zonsondergang op de hoek van de Martinitoren blijven liggen. Op roze aanplakbiljetten komen in de stad de namen van de gefusilleerden te staan, alles als waarschuwing aan de bevolking dat een ieder zich aan de nieuwe Duitse regels dient te houden. Zo niet, ieder kan zien wat hen dan zal overkomen. De meistaking eist in Roden drie slachtoffers. Kort daarna lijkt de rust hersteld te zijn, maar het verzet wordt niet gesmoord, het neemt juist toe, precies het tegenovergestelde van wat de Duitsers ook in Roden wilden bereiken.

De agent die Postema in het hoofd schiet, wordt na de bevrijding voor zijn daad gearresteerd, waarbij zijn collega dan tegen hem getuigt.

 

Moeder Postema gaat door met verzet

Het lichaam van Postema wordt op een gereedstaande wagen geworpen en afgevoerd. Moeder Postema krijgt na drie dagen bericht dat haar man dood is en op een onbekende plaats is be­graven. Na drie weken krijgt zij het zakhorloge, de ring en de grote rode zakdoek, doorzeefd met kogelgaten en vol bloedvlekken teruggestuurd.

 

Jantje Postema wil niet voor de Landwacht en de Duitsers vluchten, ze wil het werk van haar man naar vermogen voortzetten. Er wordt veel druk op haar uitgeoefend om onder te duiken, maar ze weigert. Ze gaat door met de distributie van wapens, het verspreiden van illegale bladen, ze gaat door met de onderduikers, met voedseldistributie en met het boerenbedrijf. Alje Vroom wordt bedrijfsleider. Op een gegeven moment komt Alje Vroom verschrikt naar Jantje Postema en vraagt of ze wel weet, dat de ‘vreemde man’ die op bezoek is, wapens in zijn fietstassen heeft zitten. Ze besluit dan om Alje als bedrijfsleider weg te sturen met de waarschuwing dat hij niets gezien heeft en dat hij nooit iets aan andere mensen mag vertellen. Alje snapt op dat moment niets van dat strenge optreden en zal pas na de oorlog de echte reden te weten komen. Jantje Postema is bang dat niet alleen deze wapens, maar ook andere zaken zoals onderduikers, de voedseluitgifte en de rol van Rens Datema in gevaar kunnen komen. Zij kiest voor zekerheid en wil ook de kans op loslippigheid in deze tijd uitsluiten. Na de oorlog wordt haar zwijg­zaam­heid en het verzetswerk haar niet altijd in dank afgenomen.

Na dit gebeuren is de wapendistributie eerst in andere handen overgegaan. Het was te gevaarlijk geworden voor de personen die de wapens komen leveren en moeten verspreiden en te gevaarlijk voor de onderduikers.

 

Hendrik Venema

Ook opa Venema gaat in Roden tot eind december 1944 door met het illegale werk. Op 22 december 1944 kan hij op het nippertje onderduiken, waar anderen dat die dagen niet lukt, omdat hij bij de huiszoeking aan de Leeksterweg op 22 december toevallig op verjaardagsbezoek is bij zijn dochter Rie in Oostwold. De andere dochter Gré is koerierster en ligt boven ziek op bed. Beneden worden de ramen kapotgeschoten door de Duitsers, die vervolgens binnenkomen, de kasten openbreken en het huis verder onderzoeken. Alle kleren van Hendrik Venema worden meegenomen en een Duitser blijft achter bij de zieke Gré. Ondertussen wordt Jantje Postema-Venema gewaarschuwd, dat de Duitsers de woning van haar vader zijn binnengedrongen. Via illegale kanalen worden de Venema’s gewaarschuwd. Hendrik Venema duikt onder in het Groningerland. Zijn vrouw keert vervolgens alleen naar de Leeksterweg terug. De landwachten willen haar voor ondervraging meenemen, maar laten dit na, als verteld wordt dat haar zieke dochter Gré een besmettelijke ziekte heeft. Er wordt een grote actie op touw gezet om grootvader Venema te vinden. In dezelfde nacht heeft Jantje Postema met hulp van buren het huis van haar ouders zoveel mogelijk leeggehaald. De zieke dochter Gré gaat voor haar ‘besmettelijke’ ziekte naar het ziekenhuis in Groningen, waar ze wonderlijk snel weer wordt ontslagen. Het huis van Venema wordt stiekem verhuurd en oma Venema vertrekt naar haar familie in Uithuizen. Dat is dichtbij het onderduikadres van Hendrik Venema, die vermomd als schipper in Middel­stum is aangeland. Hendrik Venema heeft eerder Rikkert Zuiderveld in Roden tot zijn tweede man aangesteld en houdt via Rikkert contact met het verzetswerk in het dorp. De Duitsers, met name de SD, blijven op zoek naar Venema en verklaren hem vogelvrij. Ze zetten op zijn hoofd een bedrag van 6.000 gulden, een voor die tijd enorm bedrag.

 

Risico’s

Als Hendrik Venema uit Roden is vertrokken komt de wapendistributie terug bij Jantje Postema.

Eens brengt ook de landwacht heel laat in de avond de nieuwe huurders van de woning van Venema naar het Julianaplein. Ze hebben niet meer dan hun kleren bij zich. Het huis van Venema aan de Leeksterweg wordt door de Duitsers gevorderd. De huurders moeten volgens de landwachten maar bij moeder Postema in huis komen. Het huis is dan overvol. De Duitsers komen die nacht ook nog langs om een huurder mee te nemen voor verhoor op het landbouwhuis in Groningen. Hij komt de volgende dag volstrekt overstuur terug. Op een andere plek in huis zitten onderduikers op de hooizolder, waar ze via een geheime trap bij onraad kunnen vluchten. En er zitten in huis nog een paar dames op een kamer. Het is een wonder dat ze niets van de onderduikers hebben gemerkt. Ondertussen blijven de huiszoekingen aanhouden. Moeder Postema opent de deur bij deze huiszoekingen altijd met haar kind Ella stijf in de armen geklemd. Meermalen is zij met een karabijn bedreigd. Als ze willen schieten, moeten ze eerst haar kind maar doden, maar dat durven de Duitsers niet te doen. Later zal ze vaak aan Ella vertellen, dat haar kind haar leven en dat van anderen in het huis heeft gered.

 

De bevrijding

Rond de bevrijding trekt Hendrik Venema in de richting van Roden, maar komt terecht tussen de vijandelijke linies, wat hem dwingt om zich in greppels te verschuilen. Vertraagd en onder de modder komt hij, verkleed als schipper, een paar dagen na de bevrijding op 16 april in Roden aan. Mensen vertellen aan zijn dochter: hij komt, hij komt. Ze denkt in een flits dat haar man terugkomt en loopt dan haar vader op de ree straal voorbij. Jantje Postema weet dat haar man niet meer leeft, maar toch is er dat sprankje hoop.

Hendrik Venema gaat na de begroeting direct verder om de leiding van het verzet weer over te nemen. Hij vreest escalatie van wraakuitingen in het dorp. Bijltjesdag mag er van hem absoluut niet komen en het recht in eigen hand nemen vindt hij uit den boze. Bijltjesdag komt er ook niet echt, het blijft bij kaalscheren van hoofden en kogels afschieten boven de hoofden van NSB-ers.

 

Appèlbergen

Jan Postema is in Appèlbergen in een massagraf van totaal negentien personen geweorpen. De meesten zijn van de meistaking, waaronder de slachtoffers van Trimunt met de vier mannen Hartholt, die tot 1921 in Steenbergen woonden. In een andere massagraf vlakbij zijn nog vijftien anderen terechtgekomen. In december 1945 worden de negentien lijken van een massagraf opgegraven. In een schriftelijke verklaring staat, dat Ella’s moeder de stoffelijke resten van haar man absoluut wilde zien. Ze herkent de stukjes kleding die haar man bij vertrek aanhad. Jan Postema wordt in december 1945 in Roden herbegraven.

Op 3 mei 2004 is in Appèlbergen een gedenkteken geplaatst, waar de 34 namen staan vermeld. Het is een herinnering aan de strijd en de pijn die velen hebben moeten doorstaan en nog hebben.

 

Kinderen van verzet

De energie van Jantje Postema-Venema is na 1945 op. Ze is voor het leven getekend en is vaak moe en ziek. Na 1946 doet ze het bedrijf van 38 ha van de hand. De boerderij wordt verbouwd en voor extra bewoning geschikt gemaakt. Later gaan moeder en dochter Ella in Groningen wonen.

Ella is secretaresse van de vereniging ‘Kinderen van het Verzet’, afdeling Noord-Nederland en vertelt over hoe het was en wat oorlog betekent. Bijna alle ouders vinden het moeilijk om over situaties van angst, pijn en ellende te praten tegenover hun kinderen. Die ellende deel je het best met lotgenoten. Zo gaat het ook bij Jantje Postema. De meeste informatie krijgt Ella na de oorlog van opa Hendrik Venema, Rens Datema en Rikkert Zuiderveld. Verder zijn er officiële papieren en dagaantekeningen, na de oorlog met namen aangevuld, die haar moeder heeft achtergelaten. Niets zeggen en naar buiten toe vrolijk zijn is het levensreddend gedrag van haar moeder in de oorlog geweest en dat heeft ze ook daarna vastgehouden. De oorlog was absoluut niet een romantische periode, het was een plicht om te doen wat je moest doen, ook al snapte je directe omgeving er soms niets van. Het is wel een gebeuren dat je onbewust als kind vormt en een leven lang mee blijft dragen.

 

 

Dat denken ze niet van Rens

 

   

Rens Datena

 

Rens Datema was een bekend persoon in het dorp. Een forse, opvallende vrouw, veelal fietsend door Roden. Ze had een hart van goud, maakte graag een praatje en wilde het liefst iedereen te vriend houden. Velen noemden haar tante Rens. Na de oorlog brengt ze kwitanties van de Leekster Courant rond. Rens had minstens één groot zwak en dat was eten. Van stamppot zoete appels en ‘jan in de zak’ kon ze niet afblijven en het liefst schrokt ze daar dubbele porties van naar binnen. Maar Rens kon ook heel goed geheimen bewaren. In de oorlog doet ze dingen, die anderen nooit geweten hebben.

Zo werkt Rens in de oorlog af en toe bij veearts Luitjens in huize Soeka Negara. Maar ze is ook een nicht van Jan Postema en helpt daar af en toe een handje mee in de huishouding. Rens is veel bij de weg, hoort veel en kan soms stiekem het een en ander doen. Bij de Luitjens heeft ze de oren op een steeltje. Als ze iets hoort wat gevaar voor inwoners van Roden op kan leveren, geeft ze dat door aan Jan en Jantje Postema van wie ze weet dat die in het verzet zitten. Zij is een belangrijke informatiebron voor het lokale verzetswerk. Als zij in huize Luitjens hoort over over aankondigingen van razzia’s, geplande invallen, wie verdacht wordt, dan geeft Rens die informatie door, gewoon omdat ze vindt dat het haar plicht is. Zij is een ideale spionne, want ze weet dat ze er verder met niemand over moet praten. Dat doet ze ook niet, zelfs niet na de oorlog. In de avonduren helpt ze mee om op de fiets illegale bladen en soms ook wapens naar de daartoe aangewezen adressen te brengen. Omdat ze bij Luitjens werkt is ze onverdacht, waardoor ze op de fiets goederen kan vervoeren, zonder doorzocht te worden door de landwacht. Rens doet wat ze moet doen, ook al is ze bang als ze met een fietstas vol wapens langs de controle gaat. Met bonkend hart doet zij haar plicht. Zij behoort tot een van die plichtsgetrouwe moedige vrouwen die Roden kent. Haar schoonzus Bet Datema-Kunen verricht eveneens hand- en spandiensten voor het verzet. Ook met haar kan ze over haar geheim verzetswerk praten. Na de oorlog blijft Rens intensief contact onderhouden met Bet en met Ella’s moeder. Anderen kijken vreemd op van haar verzetsactiviteiten. Dat denken ze niet van Rens heeft ze zelf eens gezegd. Dat klopt, weinigen hebben het geweten en vermoed. Rens was een moedig mens, die gewoon haar plicht deed, bleef zwijgen en verder geen drukte.

 

 

Een zwarte dag op de Roderesch

 

   

Het huis van Siet van Bergen en Trientje Beuving aan de Hoofdweg te Roderesch. Links Kornelis en rechts met hond de later door de Duitsers doodgeschoten Tiem. (Archief: HVR)

 

Donderdag 29 april 1943 in de middag, werd door Christiansen het bevel uitgevaardigd om het Nederlandse leger van 300.000 soldaten in krijgsgevangenschap te nemen, om zo het eventuele verzet de kop in te drukken.1) De bevolking schoolde samen en bezon zich eensgezind op tegenwerking van het Duitse gezag. De 30ste april zou zonder lintjes, strikjes of witte anjers op deze Julianadag voorbij gaan. Op 1 mei was de staking een feit. De industrie, kantoren en winkels sloten hun deuren. Op de akkers lieten de boeren het werk voor wat het was, ook kwam het voor dat ingezaaide bouwlanden snel werden omgeploegd uit protest. Overal was het verzet duidelijk merkbaar. Melkwagens die melk moesten afleveren aan de zuivelfabrieken werden in de sloot gekieperd. Sabotage aan de zuivel door middel van bedorven melk was aan de orde van de dag. Het antwoord van de Duitse bezetter liet niet lang op zich wachten er werd hard teruggeslagen. De Grüne Polizei trok door het noorden van het land om met harde hand de staking in de kiem te smoren. Ze gingen als wilde beesten te keer en schoten zonder enig pardon op groepjes mannen. In deze eerste week van mei 1943 lieten ruim tweehonderd personen het leven en was de staking, die in de drie noordelijke provincies het langst duurde, neergeslagen en was 10 mei weer een ‘normale’ werkdag. Wat later bekend is geworden als de melkstaking, is op de Roderesch uitgelopen op een dramatische confrontatie met de bezetter met fatale afloop voor twee bewoners. De gebeurtenis rond de melkstaking te Roderesch houdt tot op de dag van vandaag nog steeds de gemoederen bezig.

 

Het verslag van Geert Brouwer

In de tijd van de melkstaking was Geert Brouwer boer op een boerderij aan de Zuiderdrift

Hij was direct betrokken bij de gebeurtenissen en heeft hiervan later een verslag gemaakt. De inhoud hiervan is illustratief voor wat op de derde mei 1943 op de Roderesch is gebeurd.

Het relaas van Geert Brouwer: ’s Avonds 2 mei gaan er geruchten van een op handen zijnde melkstaking.

Het is in de vroege morgen van 3 mei 1943. Een NSB-boer uit Steenbergen kwam bij ons aan huis om te zeggen dat we melk wel moesten leveren, omdat er sprake was van dat de melk niet opgehaald zou worden. De broers Tunnis en Marchie­nus Giezen reden de melkrit naar Roden vanaf de Steenbergen via de Roderesch en de Norgerweg. Ook deze morgen kwamen ze weer de melk ophalen. Mijn buurman Hartholt en ik hadden besloten de melk niet te leveren. Er stond zichtbaar minder melk op de wagen, maar toch waren er boeren die de melk wel hadden geleverd. Na het eten ging ik naar de winkel van Jan Giezen op de Roderesch om wat hoorntouwen te halen. De koeien stonden nog op stal en zouden binnenkort de wei ingaan. Dichtbij café Giezen gekomen zag ik de melkwagen op weg staan, maar de bussen met melk stonden er niet meer op, deze waren er afgegooid. Ik heb nog even met de vrouw van Johannes Kalfsbeek, Trientje, die recht tegenover Giezen woonde, staan praten maar ben weer vlug naar huis gegaan zonder hoorntouw. Bij het huis van timmerman Egbert Hagedoorn, kwam ik Jaap Luitjens, zoon van onze veearts Luitjens, tegen. Hij heeft natuurlijk ook de lege melkwagen en de afgeworpen bussen gezien en de broers Harm en Jan Bakker, Johannes Kalfsbeek en Klaas Giezen die hier nog stonden te praten. Om ongeveer negen uur hoorden we dat er een overvalwagen met Duitse soldaten op de Roderesch was gekomen en dat de gebroeders Bakker en Johannes Kalfsbeek waren opgepakt en de Duitsers op zoek waren naar Klaas Giezen die op de Pol woonde. Op weg naar mijn land, ik moest nog ongeveer 15 are aardappelen poten, bleef ik nog even staan praten met buurman Lukas Aalders en Hotse van Wijk. De Esweg was nog een zandweg met een rijwielpad. Plotseling zei Lukas tegen mij: “Geert, maak dat je weg komt, er komt een Duitse vrachtwagen de Esweg oprijden vanaf het Werkkamp (thans de Zwerfsteen). Ik ben vlug achter een dicht wilgenbosje onderaan de slootkant van het fietspad gekropen. Even later bleef de overvalwagen met daarop Harm en Jan Bakker en Johannes Kalfsbeek (Klaas Giezen was niet gevonden) bij Lukas en Hotse staan. Voor in de auto, naast de chauffeur, zat een ambtenaar, werkzaam op het Roder gemeentehuis. Die vroeg: “Heb je Geert Brouwer ook gezien?” Natuurlijk hadden die mij niet gezien. “Rij dan maar door,” zei de ambtenaar (ik kon het zeer duidelijk verstaan) “hij woont daar” en wees onze boerderij aan. Toen ze de hoek om reden (nu Zuiderdrift) naar de boerderij, ben ik in het Gemeentebos langs de Esweg gekropen.

Mijn vrouw stond achter de boerderij te kijken waar ik was gebleven. De Roder ambtenaar liep met enkele Duitsers achter de boerderij naar mijn vrouw en vroeg waar ik was. De auto was met een bewaker voor de boerderij blijven staan. Dat wist ze natuurlijk niet! Een Duitse officier zei: “Als je het niet zegt, steken we de boerderij in brand.” Mijn vrouw werd een geweer op de borst gezet en moest mij gaan roepen. Achter mijn boerderij had ik raapzaad geteeld en ze dachten dat ik daarin verscholen zat. Mijn vader was inmiddels gekomen om mij te helpen met het aardappelpoten. Eerst moest mijn vrouw mee op de overvalwagen maar één van de Duitsers zei: “Die Mütter bleibt bei Ihren Kinder, denn geht der Alte mit!” Dat was mijn vader dus. Vanuit het bos waarin ik was blijven staan, kon ik mijn vrouw horen roepen en kon alles zien wat er zich achter mijn boerderij afspeelde. Vader bleef kalm, vertelde mijn vrouw later en zei: “Dan ga ik wel mee.” Ik heb gezien hoe de wagen wegreed in de richting van de Roderesch met de vier mannen er op, bewaakt door de Duitsers. Ze waren nog maar even weg toen ik hoorde schieten. Ik werd erg bang en dacht: wat zal er nu toch gebeuren. Naast het huis van Sietse van Bergen waren hij en zijn zoon Tiem aan het aardappelen sorteren. Sietses vrouw Trientje was aan het beddenschonen, want op de heg hing allerlei beddengoed. Toen de overvalwagen kwam aanrijden werd zoon Tiem blijkbaar verschrikt en bang, want hij liep hard weg in de richting van het eikenbosje dicht bij hun huis. De Roder ambtenaar riep toen luid: “Daar loopt er nog één” waarop de Duitsers direct begonnen te schieten. Vlak bij het bosje werd Tiem geraakt en bleef stil liggen.Volgens vader was hij direct dood, want de soldaten trokken een deken van de heg waarin ze hem wikkelden en voor de voeten van vader op de wagen legden. Zijn vader en moeder waren natuurlijk radeloos en liepen met de armen omhoog te huilen.Vandaar vertrokken ze naar het gemeentehuis in Roden. Niet wetende wat zich allemaal had afgespeeld, ben ik eerst naar de boerderij van Hartholt gelopen in de hoop wat meer te weten te komen en daar vernam ik ook dat ik wel weer naar huis kon gaan.

De Duitsers met de vier mannen op de auto waren inmiddels bij het gemeentehuis aangekomen, waar ook enkele landwachters zich bevonden. Eén van deze landwachters zei bij het zien van vader op de auto: “Brouwer moet van de auto af, die kunnen we hier in Roden niet missen.”

Na enig overleg werd besloten dat vader er wel af mocht, maar dat hij zijn zoon er voor in de plaats moest terugbrengen. Zo gezegd, zo gedaan, en vader kon weer naar mijn vrouw toe gaan. Bij ons thuis hebben we besproken wat ons nu verder te doen stond. Vader zou ongemerkt weer naar Roden teruggaan en de situatie aldaar opnemen. Hij had enkele contactpersonen in de arm genomen die de boel in de gaten zouden houden. Even na twaalf uur is de overvalwagen met de broers Bakker en Johannes Kalfsbeek naar Groningen vertrokken en naar later bleek naar het beruchte Scholtenshuis gegaan. Daar zijn ze met het gezicht tegen de muur gezet en vele malen ondervraagd. Tenslotte mochten Jan en Johannes weer naar huis terugkeren, maar Harm hebben ze vastgehouden. Hij was namelijk niet op het werk verschenen, werd er gezegd. Helaas heeft hij het met de dood moeten bekopen. Op de Roderesch waren nu twee slachtoffers gevallen. Ikzelf ben ’s avonds met vader naar Roden gegaan, omdat we wisten dat de Duitsers niet meer in het dorp waren. We moesten bij de toenmalige burgemeester Bruininga op het matje verschijnen. Daar werden wij ondervraagd in het bijzijn van de Roder ambtenaar die steeds heen en weer liep. De heer Bruininga speelde met wat op een gummistok leek. We wisten natuurlijk van niets en dat was ook de waarheid. We moesten ons verder nergens meer mee bemoeien en konden weer naar huis gaan. ’s Avonds kwam Jan Bakker nog vragen wat wij allemaal hadden gezegd: niets natuurlijk. Nou, dan was het goed, zei hij.

De volgende morgen moest ik voor zaken naar de Bureauhouder in het Oosteinde. Onderweg werd ik aangehouden door veearts Luitjens dichtbij zijn huis. “Jongen,” zei hij tegen mij, “jij moet je niet met zaken tegen de Duitse bezetting bezighouden. Gisteren had je bijna op je rug gelegen.” Ik zei, dat ik er niets mee te maken heb gehad.

”Jawel,” zei de veearts tegen mij, want onze Jaap heeft gezien dat je terugkwam van café Giezen waar de melkwagen was leeggegooid.” Zodoende wisten we ook wie dit alles had doorgegeven. Ook zei hij, dat ik me verder koest moest houden, anders liep het niet goed met me af. Na al deze verwikkelingen hebben mijn vrouw en ik bijna geen nacht meer rustig geslapen. Net als ieder goedgeaarde Nederlander waren we blij dat de oorlog voor ons op 13 april 1945 voorbij was.

 

Aanvullende getuigenissen

Trientje Kalfsbeek-Liewes, vrouw van Johannes Kalfsbeek: We zaten net te eten toen ze bij ons binnenvielen. Mijn man Johannes moest mee en kon nog net een jas pakken. Ik ging met mijn twee kinderen naar buiten en liep naar de overkant van de weg. Eén der soldaten porde mij met een geweer in de rug en sommeerde mij om weer naar binnen te gaan. Johannes sprak nooit zoveel over het gebeuren van toen maar heeft wel eens verteld, dat er een Roder NSB-er in de deuropening stond te wachten toen ze bij het Scholtenshuis aankwamen. Dezelfde middag kwam de Roder ambtenaar die ’s morgens op de overvalwagen had gezeten nogmaals bij mij langs en vroeg nadrukkelijk of mijn man die morgen meegedaan had bij het leeggooien van de melkbussen, waar ik ontkennend op heb geantwoord. Johannes was er nadien er steeds van overtuigd dat de Roder NSB-er die in Groningen op het hoofdkwartier aanwezig was, een grote rol heeft gespeeld in het sparen van hun leven.”

 

Alle Giezen, zoon van Marchienus Giezen: Vader heeft ons verteld, dat hij ’s avonds voor de staking is benaderd om de melk wel te komen halen. Nog geen twee minuten later, alsof ze op elkaar hadden gewacht, kwam een andere persoon aan de deur en sommeerde vader om de volgende dag niet te gaan rijden. Onder normale omstandigheden deed hij altijd de melkrit om beurten met zijn broer Tunnis Giezen. Ze besloten om de bussen wel op te halen net als anders. Als voorzorg zouden ze de route van de derde mei gezamenlijk rijden. Zonder problemen haalden ze de melk uit Steenbergen en een groot gedeelte van de Roderesch.

Maar toen ze bij het café aankwamen, werden de twee paarden van de melkwagen losgekoppeld en achter café Giezen gestald. Vader en zijn broer zijn weggevlucht en in de loop van de dag huiswaarts gekeerd. Gelukkig hebben de Duitsers hen ongemoeid gelaten.Tot aan zijn dood heeft hij verzwegen wie werkelijk de daders waren van het leeggooien van de melkbussen.

Tenslotte, Harm Bakker, het tweede slachtoffer, vond de dood in Appèlbergen, waar hij de dag na zijn aanhouding, op 4 mei 1943, werd gefusilleerd en begraven.

 

Noot:

Weekblad Trouw

 

Bronnen:

Weekblad Trouw

Schriftelijk verslag Geert Brouwer, archief HVR

 

 

Jan Torensma vertelt

 

   

Andries Torensma

 

Jan Torensma (1920) woont aan de Jachtlaan en heeft daarvoor altijd op de boerderij aan het West­einde in Leutingewolde gewoond.

In maart 1945 wordt Jan samen met zijn vader en moeder na het verraad van Gé Bleeker opgepakt. Deze verraadster is ook bij zijn arrestatie aanwezig. Na enige moeite weet Bleeker de boerderij terug te vinden, waar ze pas eenmaal eerder is geweest toen ze daar door het ondergronds gerecht is verhoord, en naderhand op een volgende rechtzitting niet ter dood veroordeeld, maar tot gevangene van het verzet werd verklaard.

Jan verblijft een nacht in Norg en vier nachten in Assen, waarna hij naar Wilhelmshaven wordt overgebracht. Zijn vader heeft hij na de arrestatie nooit meer gezien, zijn moeder mag na een nacht in Assen naar huis terugkeren. Landwachtleden plunderen ondertussen de boerderij.

De rechtsgang van Gé Bleeker heeft fatale gevolgen voor het ondergronds verzet. Een heuse rechter spreekt recht en vonnist. De dubbelrol van Gé Bleeker staat in feite vast, maar de officier van justitie durft tot teleurstelling van de OD het doodvonnis niet uit te spreken. Het recht krijgt zijn beloop en Gé Bleeker komt in de omgeving van Beilen terecht. Daar woont een oom van Jan Torensma. Gé is niet alleen knap, ze is ook slim en zorgt dat ze een relatie met een zoon van zijn oom krijgt, waardoor ze meer vertrouwen en bewegingsvrijheid terugwint. Ze weet te ontsnappen met de bovenvermelde fatale gevolgen voor de Torensma’s. Na de oorlog wordt Gé Bleeker tot levenslang veroordeeld.

Behalve deze rechtzitting zijn er ook regelmatig onderduikers op de afgelegen boerderij. Zo zit er enige tijd een joodse vrouw, die vervolgens bij weduwe Boer wordt ondergebracht.

Jan is bij zijn arrestatie 25 jaar en komt in Wilhelmshaven in een kamp terecht op een kamer waar 40 mannen zijn gehuisvest. Ze hebben geluk, omdat na twee maanden de oorlog is afgelopen en ze weer huiswaarts kunnen trekken. In de tussentijd verzorgen de arbeiders zo goed mogelijk de geplunderde boerderij. Het heeft na de oorlog nog een half jaar geduurd voordat de familie bericht krijgt, dat vader Andries Torensma bij Neuengamme is overleden. Al die tijd hebben ze in spanning gezeten of hij nog zou leven.

Tijdens de oorlog komt veearts Luitjens gewoon langs als er iets met het vee is. De onderduikers zorgen er wel voor uit de buurt te blijven. Luitjens is de enige veearts in Roden en hij is goed in zijn vak. Hij weet dat je bij vader Torensma niet over NSB-ideeën moet praten. Vader Torensma is geen prater en over NSB-idealen wenst hij helemaal niet te spreken. Dat weet Luitjens dondersgoed en begint er dan ook niet over. Veearts Luitjens is een slim man, zegt Jan, hij weet precies bij wie hij wat kan zeggen. Na de oorlog heeft Jan nauwelijks tot geen contact met oud NSB-ers. Die lagen er helemaal uit in zijn groep.

 

 

Wolter Aalders en de kampen

J. Aukema

 

   

Wolter Aalders, 1896-1942.

 

Tidde Aalders (1939) woont op dezelfde plek in Alteveer als zijn ouders. Tiddes moeder is Annechien Brink en hij heeft vier oudere zussen namelijk Grietje (1922), Gauktje (1924), Roelfke (1926) en Tjitske (1931).

Zijn vader is Wolter Aalders (1896) die samen met Hendrik Otter en Jan Piek in de oorlog verbonden zijn met de communistische partij. Wolter Aalders en Jan Piek zitten in de gemeenteraad, Hendrik Otter staat op een lijst van personen die zegeltjes plakken voor deze partij. Alleen Jan Piek komt uit Buchenwald terug. Hoe komt het dat deze communisten als eersten in Roden worden opgepakt en afgevoerd?

Getuige de twee raadszetels voor de oorlog is de aanhang van de communistische partij  in Roden groot. Velen in Alteveer sympathiseren met deze partij. Dat blijkt duidelijk als direct na de oorlog zeker 10 huishoudingen in Alteveer en directe omgeving een abonnement op De Waarheid nemen.

De arbeiders hebben het voor de oorlog heel slecht en die onvrede uit zich in het stemmen op de communistische partij. Zij kiezen voor Moskou en niet voor Mussert.

De angst voor Moskou is niet alleen in Duitsland, maar ook in Nederland groot. Duitsland valt in juni 1941 Rusland binnen, waardoor de communisten op dat moment Duitslands grootste vijand zijn. De communistische partij wordt verboden. Het feit alleen al gekozen communist te zijn in de gemeenteraad van Roden maakt Wolter Aalders tot een van de eerste slachtoffers in Roden. Een communistisch gemeenteraadslid steekt zijn kop boven het maaiveld uit en dat ervaren niet alleen de bezetters, maar ook de bewindvoerders in Roden als te bedreigend. De marechaussee komt Tiddes vader eind juni 1941 halen.

Dat is enigszins vreemd gelopen. De avond voor de arrestatie komt de dorpsagent uit Roden bij hen thuis langs. Zijn vader verbergt zich achter een heg. De politieman vraagt aan zijn moeder of zijn vader thuis is. “Nee,” zegt ze, en dan gaat de politieman zonder iets te zeggen terug. Zijn moeder kan later niet geloven, dat de diender vooraf niets heeft vermoed van de marechausseeactie, die de dag daarop zal volgen. Waarom zou hij anders langskomen? Ze spreekt de agent er later openlijk duchtig op aan. Maar er valt niets te bewijzen. (In die periode komt de marechaussee, net als bij gevaarlijke boeven, in actie nadat verantwoordelijken op het gemeentehuis doorgeven aan Den Haag wie opgepakt moet worden, redactie)

Zijn vader komt via de kampen in Schoorl en Amersfoort in Neuengamme terecht en zal het niet overleven.

 

De kampen

Als het moment van zijn dood staat juni 1942 in de papieren van Neuengamme. Ze krijgen naderhand wat kleren, het scheerapparaat en de scheerkwast terug. En ze hebben briefkaarten van hem uit de drie kampen gekregen. In het begin mag er nog redelijk veel worden geschreven, maar later komen er steeds meer beperkingen.

In Neuengamme mag een gevangene per maand twee briefkaarten verzenden en ontvangen. De Duitsers stellen nog andere eisen. Het moet duidelijk leesbaar zijn (later zelfs alleen in het Duits), overzichtelijk en maximaal zestig regels. Berichten ontvangen wordt steeds meer ingeperkt. Je mag ook geld sturen zegt hij in een bericht van april 1942.

 

Van Schoorl naar Amersfoort

In de brieven uit Schoorl maakt Wolter Aalders zich zorgen over zijn vrouw, zijn jongste zoon Tidde en de moeite van de oudere dochters om werk te vinden. Hij geeft adviezen om de turf goed te drogen, vraagt om rooktabak of sokken in een pakketje te stoppen, vraagt hoe de kool, worteltjes en aardappelen erbij staan en wat te doen met het varken. Hij adviseert om nog wat zoden in de grond te stoppen na de aardappeloogst. “Bestel alleen gezonde groente, zoals spinazie en andijvie, maar geen postelein,” schrijft hij eens.

De brieven uit Schoorl klinken nog betrekkelijk hoopvol. Een brief of een pakje is in goede gezondheid ontvangen, schrijft hij dan. Met mij gaat alles goed of ben nog goed gezond, tot aan de laatste brief in mei 1942.

Soms schrijft hij een brief in dichtvorm, zoals op 13 augustus1941. Hier een klein deel;

 

Schoorl

Lieve vrouw en kinderen

Ik hoop dat je het kaartje in

goede gezondheid moogt ontvangen

Je zult er wel naar verlangen

Nu het is met mij nog alles goed

Mijn haar is nog zo zwart als roet

Dus u kunt weten dat ik niet prakkiseer

Kom misschien spoedig weer

Ja hier te zitten is niet naar mijn zin

Ik wil graag weer naar mijn huisgezin

Al is ons huisje nog zo klein

Ieder wil graag bij vrouw of kinder zijn

Ik hou nog steeds goede moed

En hoop dat u allen maar hetzelfde doet

Al zijn wij dan een eind van elkaar

Je moet er maar wat in schikken

Als je nog maar wat krijgt te bikken

Dat was altijd mijn wens

En het beste voor de mens

Een goede pot en wat brood

Dan wordt de kleinste jongen groot

Het wordt straks al een hele vent

Ik ben bang dat hij mij straks niet meer kent

U moet mij eerlijk eens bekennen

Als u hem ook gaat verwennen

Pak hem maar eens bij de mouw

Anders krijgt u straks vast berouw

Hoe is het met Tjitske past ze goed op

Ze speelde zeker vaak met de pop

Roelfke is aan het bonen plukken

Nu dan moet ze zich maar bukken

Ze was altijd goed vlug

Ik zou haast zeggen als een mug

Gauktje gaat zeker nog naar Langelo toe

Ze houdt niet van boer en koe

Grietje laat die maar begaan

Die went er nu vast wat aan

Als u nu de kaart doorleest

Ben ik het huisgezin bij langs geweest

En Annechien zoals u ziet

Vergeet ik vrouw en kinderen niet

Als ik steeds maar schrijven mag

Dan deed ik dat wel iedere dag

Ik wou u graag wat meer schrijven

Maar een kaart per week

daar moet het bij blijven

 

Op 27 oktober komt de eerste brief uit kamp Amersfoort. Er mogen geen pakjes meer gestuurd worden en er mag maar één brief per maand worden ontvangen. Op 7 december komt de laatste brief uit Amersfoort.

 

Berichten uit Neuengamme

Het volgende bericht van 1 maart komt deels uit Neuengamme.

Het schrijven en ontvangen van berichten in het Nederlands is per 15 maart 1942 afgelopen. Wat volgt zijn voor de familie onleesbare briefjes in het Duits. Een keer zijn ook een paar zinnen doorgestreept, zodat ze onleesbaar zijn geworden. Wolter Aalders’ suggestie om dokter Pieters de brieven te laten vertalen wordt opgevolgd. Die doet dat in zijn alom bekende handschrift.

 

Lieve vrouw en kinderen

En nu zal ik jullie weer eens schrijven, ook al heb ik tot dusver nog niets van jullie gehoord. Jullie zult begrijpen dat ik daarnaar verlang.

Ik ben goed gezond en hoop van jullie hetzelfde. Laat de brieven schrijven bij een onderwijzer of bij dokter Pieters of op het gemeentehuis. Lever een papier met de inhoud en zij zullen dan wel zorgen dat het in het Duits vertaald wordt.

Stuur bericht over alles en nog wat. Over de meisjes en de jongen, het vee, de akker. Zijn de aardappels al gepoot? Heb je mest daarvoor kunnen krijgen? Heb je reeds veen gehuurd? Het weideland moet je maar niet verhuren, zorg eerst dat jezelf genoeg hebt. Vele hartelijke groeten van je man en vader, ook aan alle bekenden.

Tot weerziens W. Aalders

 

Alleen in het Duits geschreven post wordt dus doorgelaten. De eerst post in Neuengamme krijgt Wolter van het thuisfront pas eind april. De vraag om brieven en de zorg om zijn gezin klinken door in de laatste berichten.

Het duurt nog lang eer ik hier weg ben, staat in het briefje van 19 april 1942.

Op 2 mei schrijft Wolter Aalders dat je van Hendrik Otter wel niets meer zult horen. Heb je nog wat van Piek gehoord en hoe staat het met de steun vraagt hij dan. Of stuur me een paar sokken en zooltjes, niets anders, omdat dit anders toch in beslag wordt genomen.

Je voelt dat de teugels worden aangetrokken.

 

De laatste brief: 20 mei 1942

Lieve vrouw en kinderen,

Jullie brieven in gezondheid ontvangen en vernomen dat het jullie goed gaat. Ik schrijf je regelmatig elke 14 dagen. Of je alles krijgt weet ik niet. De postwissel heb ik nog niet ontvangen. Hopelijk wordt het een dikke, want ik heb nog nooit iets ontvangen.

Ik heb gelezen dat Grietje in Langelo komt en Gauktje in Lieveren. Die twee hebben dus geruild.

Hoe gaat het met het schaap? Geeft het nog wat melk? Dat komt nu van pas. Heb je de tuin groter gemaakt? Als het mogelijk is moet je nog een paar tomaten planten. Als ze rijp zijn hoop ik ze mee te eten. Het is spoedig juni en dan is moeder jarig. Ik feliciteer haar en wens haar nog veel gelukkige jaren. Nieuws weet ik niet veel. De groeten voor familie en bekenden en verder veel groeten van je liefhebbende man en vader.

W. Aalders

 

Dat is het laatste teken van leven

Na een jaar gevangenschap volgt zijn dood in juni 1942.

Een doodsoorzaak wordt niet gegeven, maar laat zich raden.

 

Bezoek aan het kamp in Neuengamme

Twee keer is Tidde met zijn vrouw en kinderen in Neuengamme geweest:  in 1980 en 1983. Van de 106.000 gevangenen van Neuengamme, zijn er 55.000 mensen omgekomen.

Op de oorlogsbegraafplaats kun je zijn gedenksteen vinden: Kapelle 13 BP 73 rij 4 nummer 6.

 

Gevolgen

Wolter Aalders is omgekomen, omdat hij gemeente­raadslid voor de communistische partij was. Zijn dood heeft wel gevolgen voor de kinderen.

In de dertiger jaren werd je meestal communist uit onvrede en uit nood. Zijn vader heeft zijn uiterste best gedaan om het hoofd boven water te houden. ’s Morgens om 4 uur opstaan en eerst thuis aan de slag om vervolgens elders, bij boeren als er werk was of in de werkverschaffing, het brood te verdienen. Hij stuurde zijn dochters vroeg op pad om te gaan werken of werk te zoeken. Je moest je best doen om te overleven.

Na de oorlog is het beslist geen vetpot thuis. Het is eerst overleven met steun van het armbestuur, uitgevoerd door armmeester Roffel, later opgevolgd door de Stichting Oorlogslachtoffers. In het begin wil de Stichting 40-45 geen uitkering geven, omdat zijn vader geen verzetsdaden heeft verricht. Pas eind jaren vijftig, als ze het zelf al wat beter hebben, komt er een meer geschikte uitkering. Het gemeenteraadslid-zijn van de communistische partij erkent men blijkbaar pas naderhand als verzetsdaad.

Tidde kan later geen vrijstelling krijgen van militaire dienst, waar andere kinderen van verzets­mensen het wel kunnen krijgen. Hij maakt gebruik van de algemene regeling in 1961 om als onderwijzer in Oldehove een plaatsvervangende dienstplicht te vervullen. Via avondopleidingen haalt hij aanvullende diploma’s om les te geven aan de scholengemeenschap in Leek.

De meeste kinderen uit het gezin zijn politiek links georiënteerd gebleven. Voor Tidde is het moeilijk voorstelbaar om je afkomst en datgene waar zijn vader voor stond zomaar aan de kant te zetten.

De situatie in Alteveer is wel heel drastisch veranderd vergeleken met 60 jaar geleden. Armoedige woningen zijn omgetoverd tot riante woonplekken. Je kunt tegenwoordig ook niet meer stemmen op de communistische partij, omdat die verdwenen is. Zijn vader zou van beide zaken vreemd opgekeken hebben.

 

 

 

De Roner bezettingsjaoren

 

   

Het dorpshuis aan de kop van de inmiddels gedempte haven. Hier werd in oorlogdstijd lesgegeven aan de schooljeugd. (Archief: HVR)

 

Minsken die de oorlogsjaoren ’40-’45 nog metmaokt hebben, binnen veur ’t grootste deil older dan zeuventig jaor en wazzen toen kinder. Kinder in de legere schoulleeftied hadden eigenlieks gien grote problemen met de oorlog, want ze beleefden alle daogen wat aanders en de echte spannings, zoas de olders die wel hadden, gungen heur vaok veurbai.

Mor ze hadden gien slik1), speulgoud muzzen ze zölf maoken. ’s Aovends nog even boeten speulen kun neit deur de ‘sperrtied’, want om aacht uur mus elk in hoes wezen. Dat de schoul vaok sloten was deur gebrek an brandstof vonden ze niet slim.

 

Ik zei ze nog kommen in Roon. Nederlandse soldaoten trokken de aovend erveur een lint as wegbebaokening over de Heerestraot, op de houk bai Roel Piek.2) Het was doodstil in het dörp die bepaolde dag toen elk besefte: ’t Is oorlog !

Op de bewuste mörgen luip Jan Geersing over de Brink en zag bai ’t kerkmuurtie soldaoten.

“Wat bi’j d’r ja vroug bai,” zee Jan en schrok allernaost toen hij in het Duuts antwoord kreeg. Hij wus niet hou rad ’e weer in hoes kommen mus.

 

Wai stunden met mekaor op het plaain veur ’t hoes an de Heerestraot toen Duutse soldaoten oet de Beuklaon kwammen met heur waopens in anslag. Veurop een officier die alle kaanten opkeek, op zuik naor tegenstand, die d’r huile­maol niet was. Ze trokken zwiegend veurbai en gienein duurde een woord zeggen. De bezetting begon in Roon zunder gevechten.

Aanderdaogs trok de zogenoamde Reiterdivision deur Roon naor Leik op weg naor de Aof­sluut­diek.

De huile dag een stroom auto’s, motoren en peerdewaogens, wai keken ons de ogen oet.

Laoter heurden wai dat huil veul van die Duutse militairen sneuveld binnen veur de kazematten van Kornwerderzand.

 

De bezetting veraanderde opslag het daogelijkse leven van Roon. Eerst kwam er noodgeld, dat drukt wör deur drukkeraai Roffel. Papieren guldens, die gien lang leven had hebben.

’s Aovends muzzen de raomen verduusterd worden, gien kiertie licht much er deur schienen, om Engelse en Amerikaonse vleigtugen op een dwaolspoor te brengen.

Er kwam al gauw distributie van levensmiddelen. Elk haar een stamkaort, die recht gaf op een vel distributiebonnen, waormet het volk bosschoppen doun kun. Zowat alles was op de bon, zoas krudenierswaoren, textiel, klompen en sommige hoesholdelijke artikels. Boetenlandse producten as pinda’s, sinaasappels en bananen wazzen er niet meer, mor ok sukkelao en tabakswaoren niet.

Om toch roken te kunnen verbouwden veulen tabaksplanten, waorvan de blaoden dreugt wörden op zolder en dan fien sneden. Op het plattelaand kunden de minsken nog wel aordig deur de tied kommen. Producten wörden onderling ruild, tarwe veur carbid, botter veur kleren, en boeren leverden particulieren melk.

Verschaaiden boeren oet de omgeving vulden flessen met melk. Het was volle melk, die aofroomd wör veur het karnen van botter. De room in de fles muj dan zolang schudden tot er botter op drieven kwam.

Bakkers gaven eigen broodbonnen oet aj tarwe brochten. Mouders muiken oet allerhande stoffen kleren veur de kinder en om ’s aovends toch wat licht te kriegen wör gebruuk maokt van eulielaampies, van baaienwas gemaokte keersen of de stroom van accu’s die met een trapmecha­nisme oplaod wörden.

Radio’s mus je inlevern, want de bezetter wol niet lieden, daj naor de Engelse zender luusterden. Ok koperen en bronzen veurwaarpen wazzen neudig veur de Duutse oorlogsindustrie. Vandaor dat de klok oet de kerktoren het ontgelden mus en al stun er dudelijk op dat het een monument was, hij kwam toch in Duutse handen en verdween oet Roon. Gelukkig is de klok nao de oorlog weerom kommen. Juffrouw Van Balsvoort het daorover een gedicht maokt.3)

 

In Roon was ok een leventige knienenclub ‘Het Hollandertje’, die alle jaoren bai Jan Busscher een tentoonstelling haar. Daor wörden de knienen keurt en kregen bekers of medallies. Poolties, Fraanse hangoren, Hollanderies, Vlaamse reuzen kwammen op ’e taofel en wörden van alle kaanten bekeken. En met de kaarstdaogen kwammen de eervolle vermeldings in de pot.

Een hok vol knienen vrag wel een hoop vreten. En zo muzzen kinder dan daogelijks een zak gruinvouwer plukken, peerdebloumen (hondtong, ok wel diesels nuimd), klaover en wildmous en ok jong gras vanzölf. Wortels en koolstronken lusten knienen ok graog.

In huil wat hoesholdens stunden weckflessen met schaopevlaais in de kelderkaast, naost de flessen met bonen, robeiten en kruudoorns. Illegaole slacht kwam nog al es veur en daorveur binnen verschaaiden Roners oppakt en deurstuurd naor een concentraotiekamp.

 

Om de kachel an te holden was er brandstof neudig. Sommige femilies hadden zölf een houkie veen en kunden daor törfgraoven. Wel dat niet haar, mus baggels en törf kopen. Ok kocht men wel een vouwer holt, dat dan tot brandholt zaogd worden mus. Cokes en aaierkolen wazzen op de bon en kunden verkregen worden bai Wouda (nou Scapino), Pakes en Tjeerd de Wit in de kanaolstraot en bai de Coöperaotie.

De kinderbaidraoge veur de brandstof­veurzie­ning was het holtsprokkeln in ’t bos. Op een bolderkar verzaomelden jongens en wichter takken en sprikken4), die thoes as anmaokholt bruukt wörden.

 

Het schoulgaon was in dizze jaoren een huile toer. Niet dat de jeugd dat slim vund, mor olders en bestuurders deden heur best het onderwies zo goud meugelijk in stand te holden.

In het begun van de oologsjaoren kregen schoul­kinder van de gemeinte Italiaonse sinas­appels en ok een tiedlaank vitaminetabletties.

As de brandstof op was bai de winterdag kun er gien lesgeven worden en gung de schouljeugd weer naor hoes. Toen de bezetter veur de soldaoten de schoul neudig haar, gungen de kinder naor verschillende aandere lokaolen, zoas het Dörpshoes bai de haoven, de bovenverdeiping van de Coöperaotie, het Jeugdgebouw op de Brink en zölfs het schaflokaol van de keesmaokeraai van de melkfebriek. De legere klassen in de mörgenuren, de midden- en hogere klassen om de aandere dag middags. Dat de kinder hoeswaark maoken muzzen lat zich raoden.

Het materiaol was gebrekkig. Holtholdend pe­pier was niet zo geschikt veur de kroontiespennen die haoken bleven en dan haj zo een vlek. Dus dan mor met potlood.

Dizze inspanning, met hulde an de onderwiezers en onderwiezeressen Veenemao, Clewits, Van Balsvoort, Riemersmao, Bieringao en Hilberts, het toch metwaarkt dat de schouljeugd oet de oorlogsjaoren gien schaode veur het vervolgonderwies oplopen het. Ze binnen toch in ’t algemein goud terecht kommen.

Deur de opmars van het de geallieerden, in het noorden veural van Canadese en Poolse divisies pebeerde de bezetter een verdedigingslinie an te leggen en wel bai Dieverbrug.

Verplichte tewaarkstelling van de bevolking was het gevolg. De Roner börgemeester Spijkerman dreigde je hoes in braand te steken aj weigerden. Ambtenaoren, schoulmeesters en middenstanders gungen fietsend of met boerenwaogens naor Dieverbrug om daor met man en macht tankgrachten te graoven. Aachteraof was dizze noodgreep zinloos, want de Canadesen hebben er gien hinder van had.

 

In het zuden van ’t laand wazzen de gevechten in volle gang en in het westen leden de minsken honger. En zo kwam het dat in Drenthe minsken kwammen op de vlucht veur het oorlogsgeweld of dreven deur gebrek aan eten.

Ok Roon nam evacués op. Nao een wat stroef begun vuilden de Limburgers zich al gauw thoes. Het was jannewaorie 1945 en ze hebben dus de bevraaiding van het Noordenveld metmaokt. De pomp op het Julianaplaain herinnert an die periode.

 

Het leste jaor van de oorlog was een bange duustere tied. Hou meer de Duutsers en heur anhangers, ja, ok schaandegenog bai ons in Roon, in de kniep kwammen deur de optrekkende geallieerde legers, hou fanatieker ze wörden. De SD, met hölp van de landwacht onder anvoering van Jaap Luitjes, arresteerde talloze inwoners, die in het hoofdkwartier te Nörg nao beestachtige mishandelingen in het ‘Huis van Bewaring’ in Assen terechtkwammen en vandaor op transport gungen naor het concentraotiekamp Neuengamme bai Hamburg of ok wel naor Wilhelmshaven, waor de meisten omkommen binnen.

 

Op 13 april 1945 kwam de veraandering. Canadese gevechtswaogens reden vanoet Nai-Roon deur Roon, stopten even op de Brink en verdwenen weer richting Nörg. Huil wat NSB-ers gungen op de vlucht en er brak een opgeluchte, feestelijke, mor ok een rommelige tied an.

Gelukkig wös een comité de orde in het dörp te bewaoren.

 

Er was een inde kommen an een veur veul inwoners zwaore periode. Wel meer weiten wil over de Roner oorlogsjaoren kan in het gemeinte­hoes een expositie zein, waor met beelden, foto’s en documenten de historie van de Tweide Wereldoorlog zichtbaor maokt wordt.

 

Noten:

1. snoep

2. Nou Eije-wish Groeneveld.

3. Onze Roner klok wör deur de Duutsers op 31 meert 1943 stolen. Op 17 augustus 1945 is de klok met een Canadese auto ophaold oet Giethoorn, waor ’e vonden was geliek met de klokken van Nörg, Paais en Rowol. Op de 18de is ’e weer op zien olde plak in de toren kommen.

4. sprikken zijn dunne takkies

 

 

Middenfoto

 

   

Roner wichter op de foto met Canadezen. Vanaf links: Tinie de Vries, Stien Scheepstra, en Rieka Pol. (Archief: HVR)

 

 

Evert Aukema en principes

 

Floor Aukema (1935) woont nu in Ommen. Zijn vader is Evert Reinder Aukema, die bij de razzia van 24 december ’44 is opgepakt en naar Neuengamme bij Hamburg, is afgevoerd. Hij komt op 24 januari in dat kamponderdeel van Neuengamme aan, waar iedereen wordt omgebracht. Voor hem is geen terugkeer mogelijk, omdat hij als te fel, te principieel tegen de bezetters en te belangrijk bekend staat. Die informatie is uit Roden doorgegeven. Anderen kunnen wellicht terugkeren, hij zeker niet. In het overlijdensbericht dat de moeder van Floor pas in oktober 1945 zal ontvangen staat dat haar man op 15 februari is overleden aan bronchitis. Ook de trouwring zal ze later terugkrijgen. Ondanks alles is er tot dan een sprankje hoop, dat zijn vader nog in leven is en bijvoorbeeld in Rusland is terechtgekomen.

Evert Reinder is kassier bij de Boerenleenbank op de plek van de huidige Rabobank. Hij zit diep in het verzet, is lid van de Provinciale Staten en doet o.a. landelijk werk voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Dat is het gewapende verzet in opdracht van prins Bernhard. Hij zit in het netwerk waar ook Jan Smallenbroek, Thie Brouwer en Johannes Post aan deelnemen.

Van de Binnenlandse Strijdkrachten zal zijn weduwe later haar oorlogspensioen krijgen. Het kantoor is aan huis en zijn gezin van vrouw en vijf kinderen woont daar ook. Verder zijn er beneden twee, later drie Duitsers ingekwartierd, met boven op de vliering nog drie onderduikers. Floor vertelt dat de eerste twee Duitsers goed waren en hen voedsel toespeelden. De derde wachtte eens met een geweer zijn vader onder aan de trap op. Al met al geen eenvoudige situatie.

 

Bezoek Neuengamme

Een paar jaar geleden zijn ze met de hele familie, broers, zus en kinderen naar Neuengamme gegaan. De zoon van Floor heet Evert Reinder Aukema en die vond het heel bizar om zijn eigen naam op de dodenlijst aan te treffen. Het is voor de nakomelingen een nog levende geschiedenis.

Floor heeft een kopie van de keurige dodenlijsten op alfabetische volgorde, met eveneens de diverse doodsoorzaken. De Duitse registratie is netjes en zo zie je de namen van de Assies uit Een en Aukema uit Roden op één en dezelfde pagina vermeld. Bronchitis is niet de echte oorzaak geweest van het overlijden, maar of het via executie, vergassing of ophanging is gebeurd weet Floor niet. In Neuengamme zijn meer dan 55.000 duizend mensen omgebracht, waaronder meer dan 6.000 Nederlanders. De vele Russen zijn veelal door ophanging omgebracht. Het verhaal over Neuengamme vindt Floor in Nederland onderbelicht, vergeleken met de meer bekende kampen.

 

Principes

Een broer van Floor verwijt zijn vader achteraf, dat hij onverantwoord bezig is geweest, omdat zijn gezin de dupe is geworden van zijn principes. Zijn dood heeft het gezin na de oorlog op lelijke achterstand gezet wat betreft toekomstmogelijkheden. Voordat het oorlogspensioen, met steun van oud-medestrijders van zijn vader is geregeld, is de financiële positie niet gemakkelijk. Maar de moeder van Floor is altijd pal achter haar man blijven staan om wat hij heeft gedaan. In het laatste deel van haar leven gaat zij in Assen wonen, naast andere mensen uit het Drents verzet.

Floor herkent veel van wat zijn vader bezielde. Hij gaat daarom in Ommen in de politiek, verzet zich tegen onrecht in het algemeen en bemoeit zich nu met het vluchtelingenwerk. Bij hem gaat het ook om principes waarvoor je moet staan, het gaat om recht en rechtvaardigheid. Als dat geld kost of nog meer, het zij zo. Zijn leidraad is een principiële opstelling voor jezelf, maar niet opleggend aan anderen. Hij merkt dat deze opstelling vaak niet wordt gesnapt en ook niet wordt gewaardeerd. Dat is niet zoveel anders als tijdens het verzet. De zoon van Floor kiest ook principieel voor rechtvaardigheid, wat niet altijd in zijn voordeel werkt in Nederland.

 

Herinneringen

Van de oorlog herinnert Floor zich niet zoveel. Ja, zijn vader was heel veel weg. En ze overnachtten weleens in een woonboot op het Leekstermeer. De kinderen mochten dan de volgende ochtend erop uit om te kijken of er aan de blokken hout met haak en worm, paling zat. Dit was een afleidingsmanoeuvre voor een illegale actie op een ander deel van het Leekstermeer. Een woonboot (soort praam) van Hagendijk bij het Leekstermeer die door zijn vader ook als schuiladres wordt gebruikt heeft hij meer als een vakantieplekje ervaren. De kinderen werden zoveel mogelijk buiten de verzetswereld gehouden om ongewilde loslippigheid te voorkomen.

Het blijft onduidelijk hoe de Duitsers precies achter de namen van de gearresteerden omstreeks Kerst komen. Misschien is er een link met de wapendroppingen op het Fochteloërveld, waar ook zijn vader bij betrokken is. Tien dagen eerder is in betrekking daarmee al een arrestatie verricht. De gedropte wapens worden over heel Nederland verspreid. De bevrijding kan hij zich nog goed herinneren. Zijn moeder beslist dat de vlag toch uitgestoken moet worden, ook al is haar man waarschijnlijk dood. Dat is de vlag uithangen met tranen in je ogen.

 

 

Scharft en de Canadezen

 

   

Familie B. Scharft kort na de bevrijding. Op de achterste rij: Spike, Janny, mevrouw Scharft, Eddy en Coby. Voorste rij: Tineke, Ties, Chris en Joop.

 

Joop Scharft (1938) woont in Roden aan de Torensmalaan in de verzetsbuurt, niet ver van de Scharftlaan. De vader van Joop is Benjamin Scharft (1900), die een boekwinkel heeft naast de gereformeerde kerk aan de Kanaalstraat. Het gezin bestaat verder uit Hinderkien Scharft-Meijer, de vijf dochters Tineke, Janny, Coby, Ties, Chris en zoon Joop.

Op de zondag voor eerste kerstdag, 24 december 1944, komen de Duitsers met landwachters zijn vader halen. Met hem worden in die week nog meer verzetsmensen in Roden opgepakt, waaronder Heijmans. In de oorlog behartigt zijn vader de administratie en financiën voor het verzet, mede omdat hij als een van de weinigen een typmachine heeft. Deze wordt gebruikt, omdat de typmachine van kassier Aukema te bekend is en te duidelijke kenmerken heeft. Eerst wordt zijn vader meegenomen naar de beruchte bloedploeg in Norg en dan volgt Assen. Uit Assen weet hij met behulp van bewakers nog een afscheidsbrief op wc-papier naar buiten te smokkelen. Deze is geschreven op 11 januari 1945 en valt op 16 januari met de Leekster Courant in de brievenbus. Vader Scharft vraagt in die brief ook om een aantal spullen zoals scheergerei, zeep en kleding. Zo weet het gezin dat hij in Assen verblijft. Dochter Janny stapt direct, met de gevraagde materialen in een houten koffer, op de fiets naar Assen. Met de koffer op een fiets met cussiebanden is dat een extra beladen reis in deze winter. Ze wil de koffer aan een bewaker aan de deur afgeven en vraagt naar haar vader. De bewaker gaat in het gebouw op zoek naar Scharft, maar komt terug om door het luik in de deur te vertellen dat ze snel met de koffer weer weg moet gaan, omdat haar vader juist is weggebracht. Later horen ze dat hij diezelfde dag met de trein via Westerbork naar Duitsland is vertrokken. De kinderen bewaren nog steeds de koffer, de typmachine en de afscheidsbrief. Een landwacht die bij de arrestatie van zijn vader aanwezig was, zal later op zijn sterfbed moeder Scharft vragen om langs te komen. Hij vraagt haar om hem te vergeven wat hij heeft gedaan. Vergeven zal ik je wel, zegt ze, maar vergeten kan ik het niet.

Op 28 maart 1945 komt iemand van het gemeentehuis met het verzoek aan zijn moeder om langs te komen. Zij wil dat niet, ze is in verwachting en ze is ziek. Overbuurman Jan Veninga gaat namens haar naar het gemeentehuis. Daar willen ze eerst niets tegen hem zeggen, maar als hij sterk aandringt om wel te melden waarom moeder Scharft langs moest komen, krijgt hij te horen dat Ben Scharft op 17 februari aan longontsteking in Hamburg is overleden.

De huisarts is de bescheiden dokter Weggemans. Midden in de volgende nacht moet er een auto op houtgas uit Hoogkerk komen om zijn moeder met spoed naar het ziekenhuis te brengen. Het sterke geronk van de auto lokt de landwachters een paar huizen verder in de Kanaalstraat. Met geweren komen de landwachten voorbij de gereformeerde kerk aangeslopen, omdat ze een verzetsactie vermoeden bij huize Scharft. De anders zo zachtaardige dokter Weggemans treedt dan zo fors op dat de landwachten afdruipen. In het ziekenhuis krijgt zijn moeder een miskraam en moet een paar dagen blijven. Op 4 april is ze weer terug. Ze houden ze thuis een rouwdienst, die geleid wordt door de buurman, dominee Reeskamp.

Al snel komt vervolgens het bericht dat het gezin nog twee uur de tijd krijgt om het huis te verlaten, omdat dat wordt gevorderd. De tafels, stoelen en ander huisgerei moeten blijven staan. Met hulp van onderduikers, buren en familie lukt het om het hele huis tot en met de reservedakpannen bij de buren Kraak, Veninga en anderen onder te brengen. Kort daarop volgt de bevrijding en komen alle spullen terug. Het enige dat in de snelle ontruiming misgaat is een lege kast die op slot is gedaan en die later door de landwachten is ingetrapt. Vreemd dat zulke details in de herinnering blijven hangen. Tot de bevrijding worden de kinderen bij familie in het dorp ondergebracht.

Joop herinnert zich die bevrijding nog goed. Twee huizen verder in het tramstation van Ekas bivakkeren Canadese soldaten. Of het door zijn zussen komt, weet Joop niet, in elk geval springen de soldaten regelmatig over de heggen en brengen snoepgoed mee. Hij ziet nog die bonbons voor zich op tafel liggen in het mooi opgepoetste zilveren schaaltje. Zelf krijgt Joop een voetbal, wat hem heel populair maakt bij vriendjes. Hij is de enige met een bal en de Lieverseweg wordt het speelterrein.

Na verloop van tijd krijgt zijn moeder een oorlogsuitkering, die niet voldoende is om van rond te komen. Weduwe Scharft gaat met hulp van haar kinderen door met de boekwinkel naast de gereformeerde kerk.

Af en toe maakt Joop zich nog wel druk over bepaalde zaken. Wat hebben we nu van die geschiedenis geleerd vraagt hij zich af. Doen we het nu beter? Het is wel goed dat in Roden herdacht wordt om aan opvolgende generaties te laten zien wat hier is gebeurd. Maar als kind vond hij de 4 mei herdenking zelf te lastig om mee te maken.

 

 

Van Schwarza naar Roderwolde

 

   

Werkpas van de fabriek in Schwarza van Lute Veldhuis.

 

In het laatste hoofdstuk van het boek Rowol toendertied1) is ruim aandacht besteed aan het leven in Roderwolde tijdens de oorlogsjaren. Voor dit artikel is gedeeltelijk gebruik gemaakt van de bestaande tekst in Rowol toendertied. Daarnaast heeft Luut Veldhuis zijn ervaringen tijdens zijn terugkeer uit Duitsland op willen schrijven en heeft hij beeldmateriaal verstrekt.

 

Oproep tewerkstelling

In 1942 kwamen oproepen binnen voor tewerk­stelling in Duitsland. In september van dat jaar vertrok Luut Veldhuis noodgedwongen naar het zuiden van Duitsland en arriveerde uiteindelijk na een lange treinreis in Schwarza in het Thüringerwald. Daar werkten meer jonge mannen uit Noord-Nederland, waaronder personeel van de melkfabriek in Roden. Berend Niemeijer van de Haarveensedijk kwam kort na Luut in Schwarza aan. De tewerkgestelden werden ondergebracht in Schwarzberg, een prachtig toeristisch oord op korte afstand van Schwarza. In juni 1943 moesten Luitzen Bijsma en Hendrik Braams op transport naar Hamburg, daarna volgden Willem Boer, Eite Brink Jzn en Jan Kruims.

 

Luut Veldhuis en Berend Niemeier terug

Luut Veldhuis heeft hun belevenissen tijdens hun terugtocht naar Nederland op papier willen zetten.

“Na 2 jaar en negen maanden dwangarbeid te hebben verricht in een kunstwolfabriek in Schwarza in het Thüringer Wald kwam voor ons de langverwachte bevrijding nabij. Op dinsdag 3 april om 2 uur ’s middags werden we na de nachtdienst door de kampleiding gewekt: “Sofort aufstehen!” We moesten direct naar Rudolstadt helpen versperringen maken, want de Amerikanen waren in aantocht. De plaats waar we onder begeleiding van de Volkssturm naar toe moesten, lag 15 km verderop. Deze afstand moesten we lopende afleggen, bergie op, bergie af, want je zat daar in het Middelgebergte. De volgende morgen bleek dat we helemaal geen versperringen hoefden te maken, maar dat ze ons wilden afvoeren in oostelijke richting (Russen). Er waren daar inmiddels ook al enkele honderden buitenlanders bijgekomen: Polen, Belgen, Russen, Franzosen, Italianen enzovoort. Wij waren met z’n drieën, waaronder ook Berend Niemeijer (broer van sloper Harm). Zo hebben we twee dagen gelopen, waarin de colonne was uitgegroeid tot zeker 3 km waar dus bijna geen controle over te houden was. En zo zijn we tegen donker aan de grote colonne ontsnapt.

We kwamen terecht in een klein buurtschap waar we door een Duitse soldaat van de straat werden geplukt en bij een welwillende boer ondergebracht. De volgende morgen zijn we weer vertrokken en nu zoveel mogelijk in zuidelijke richting, want van die kant kwamen de Amerikanen. Maar het vinden van de goede richting is wel moeilijk, omdat de Duitsers alle richting- en plaatsnaambordjes hebben verwijderd. En dit was dan het begin van een drie weken lange en  soms zeer gevaarlijke voettocht, zonder bonkaarten, onder de blote hemel, volbracht dankzij de hulp van de Duitse bevolking die ons de hele tocht van ongeveer 360 km. voorzag van eten en slaapgelegenheid. En dat mag ook wel eens gezegd worden! In deze drie weken hebben we meer meegemaakt dan de voorgaande twee jaren en negen maanden: verscheidene bombardementen, beschietingen door vliegtuigen, meegenomen door SS-ers naar hun hoofdkwartier.

De echte bevrijding kwam voor ons op donderdag 19 april in Weidenberg, 10 km ten oosten van Bayreuth, door een Amerikaanse patrouille verkenners in een jeep. Uitendelijk konden we in een aantal GMC (open vrachtwagens) 130 km naar het westen, naar Würzburg vervoerd worden. Dat was de 25ste april. Hier hebben we een nacht geslapen in een flinke beschadigde kazerne.

De volgende dag kregen we te horen dat we met de trein verder konden reizen. Dit werd ook weer een reis met hindernissen. We hebben een heel stuk van Duitsland doorkruist en kwamen via Luxemburg in Marche in de Ardennen terecht. We zijn daar nog twee weken gebleven in een oud klooster. Na die 14 dagen gingen we eindelijk in de richting van Eindhoven, waar we weer een week moesten blijven om helemaal te worden gekeurd, ontluisd enz. totdat we op 20 mei op eerste pinksterdag de reis naar het noorden konden aanvaarden op een open vrachtwagen, die op de terugreis Limburgse evacués zou meenemen.

Helaas in de buurt van Apeldoorn begon onze auto kuren te krijgen zodat we ’s nachts pas om half twee in Assen arriveerden.Voor ons werd slaapgelegenheid gevonden in een kazerne in Assen. De volgende morgen was het miezerig regenweer en ik dacht: die 30 km lopen naar Roderwolde kan er ook nog wel bij, totdat ik daar een mededelingenbord zag waarop stond dat de DABO-autobusdienst weer één keer per dag de route Meppel-Groningen ging rijden. Ik dacht, ook al omdat het regende, dat dat stukje lopen van Groningen naar Roderwolde nog altijd korter is dan vanaf Assen. Ik liep in Groningen in de A-straat, zag daar een man mij met het koffertje op de rug en vroeg: “Waar kom jij vandaan?” Ik vertelde het hele verhaal en toen zei hij dat zijn zoon bij de Binnenlandse Strijdkrachten is en op een motor rijdt en dat hij mij misschien wel naar Roderwolde wil brengen. Dat is gebeurd en zo kwam ik op deze miezerige tweede pinksterdag 1945 onverwacht thuis. Gelukkig waren allen goed gezond en hadden ze de oorlog goed overleefd.

 

Noot:

1. G.J. van Dijk-van Eerden en P. van der Velde (red.) e.a., Rowol toendertied.Van kerspel naar buitendorp. Leek, 1989.

 

 

Vrouw Boer en de onderduikers

J. Aukema

 

   

Anje Boer-Knot

 

’t Is goud

Harm Boer (1919) vertelt over de drie jodinnen die bij zijn moeder in huis onderduiken en de oorlog overleven.

In 1995 schrijft Elly Denneboom over weduwe Boer: “Als een van de zeer weinigen verleende zij onderdak aan leden van de joodse gemeenschap.”

Zij schrijft dat in de wetenschap, dat slechts dertien van de 110 joodse inwoners van Roden en Leek de oorlog overleven. Elly is één van die dertien.

Sommige vrouwen hebben in Roden een heel moedige rol gespeeld en moeder Boer is er zeker een van. Hoe is dat zo gekomen?

Politieagent Heijmans kent Bulthuis, die op de zuivelfabriek werkt. Bulthuis speelt waarschijnlijk een rol in het vinden van het eerste onderduikadres voor joden in Roden. Heijmans is zelf niet van joodse afkomst, maar sleurt zijn joodse vrouw met drie joodse vriendinnen uit Leek naar het eerste onderduikadres bij Kruier die in het werkhuis woont aan de weg naar Leutingewolde. De noodzaak om het dreigend gevaar te ontlopen leeft in 1942 nog niet zo in de joodse gemeenschap in deze streek. Zeker vijf van de dertien joodse overlevenden van Roden en Leek hebben hun leven te danken aan het inzicht van Heijmans.

Na enige tijd denken de onderduikers dat het niet veilig genoeg meer is in het werkhuis. Heijmans kent Evert Aukema goed, omdat beiden soms lang en met passie over hun principes praten. Evert stapt naar zijn zwager Jan Sikke Aukema om andere onderduikadressen op te sporen. Deze gaat naar Harm Boer met de vraag of het mogelijk is een paar jodinnen bij zijn moeder onder te brengen. Harm vraagt vervolgens aan zijn moeder of ze twee jodinnen in huis wil nemen. Ze zegt zonder verder nadenken, “’t Is goud.” Ze vraagt niet verder.

De derde jodin, Jet Polak, wordt kortstondig ondergebracht bij boer Torensma in Leutingewolde. Het gezin Heijmans komt bij Gerhardus Baving terecht.

 

Vrouw Boer

Wie is weduwe Boer? Ze woont in Nietap, tegenover de boerderij waar nu haar kleinzoon het biologisch bedrijf ‘An de Niedijk’ runt. Van oorsprong komt ze niet uit Roden, maar uit het Groningerland. Haar meisjesnaam is Anje Knot (1888). Ze komt als jongste in het gezin van de zeven kinderen Knot ter wereld. De familie Knot heeft een Hugenotenachtergrond, waardoor er diverse Franse namen in de familie voorkomen. Ze wonen in Middelstum, toen ook wel ‘het Jeruzalem van het Hogeland’ genoemd. Veel inwoners behoren tot een streng reformatorische richting die de zuivere leer wenst te bewaren. Met die opvattingen wordt Anje groot gebracht. Barmhartigheid is een van die duidelijke normen die men volgens haar denkwereld hoort toe te passen. Als er aan de deur wordt geklopt, kun je niet weigeren. Geen jodin en geen zwerver, niemand. Dat zal ze later in praktijk brengen.

Haar moeder sterft als ze twee jaar oud is.

Haar vader is boerenarbeider die op zijn 65ste jaar, omstreeks 1915, met zijn ideaal van een eigen boerderij start aan de Meerweg in Nietap. De jongste dochter Anje Knot gaat met haar vader mee. Spoedig leert ze in Nietap Berend Boer kennen, die met zijn land grenst aan hun nieuw verworven percelen. Al na een jaar trouwt dochter Knot met de vijftien jaar oudere Berend Boer en gaan op de Santeeweg wonen. Ze krijgen samen drie zonen en twee dochters. Haar man overlijdt in 1936, waarna ze het met haar vijf kinderen verder moet zien te rooien. De jongens gaan verdienen. Harm heeft de mulo in Marum gevolgd en Hendrik gaat werken bij boeren.

 

Een schuilplaats

Als zoon Harm bij zijn moeder komt met de vraag om twee joodse vrouwen bij haar in huis te laten onderduiken, weet ze niet wie dat zijn. Tot haar verrassing blijkt het een bekende van pal over ’t Piepke. Het is Elly Denneboom van de manufacturenzaak uit Leek. “Jij,” zegt ze stomverbaasd en neemt Elly en haar zusje Gonda op in haar huishouding.

Niemand mag het verder weten, dus ‘koppen dicht’ is het parool in huize Boer. Dat is geen probleem voor de leden van het gezin, omdat het al hun tweede natuur is. Als je nu aan Harm vraagt, wat zijn broer Jan deed als verzetsactiviteit, dan weet hij dat niet precies. Zwijgzaamheid is ook een eigenschap die hij later als kassier goed kan gebruiken.

Kort daarop komt de derde joodse vrouw, Jet Polak, van de boerderij van Torensma bij hen. De zonen Boer gaan vervolgens snel aan de slag om een schuilplaats op zolder te bouwen. Het is dan 1942.

 

Overleven

Drie keer zullen ze tijdens de oorlog een huiszoeking krijgen. Uiterlijk wordt Anje Boer er niet heet of koud van. Op een keer willen leden van de landwacht met hun jachtgeweren door het plafond schieten op zoek naar de ondergedoken zonen, die opgeroepen waren om zich op het gemeentehuis te melden. Een tiental landwachters in hun zwarte pakken omsingelen eerst het huis van de buren, merken dat ze niet op het juiste adres zijn en komen dan op huize Boer af. Het gezin zit net aan de keukentafel mous (boerenkool) te eten. Harm kijkt toevallig naar buiten en ziet wat er gebeurt bij de buren. De twee jongens haasten zich naar boven en verstoppen zich met de drie jodinnen in de schuilplaats. Vrouw Boer ruimt snel de gedekte tafel af, stapelt de halfvolle borden ‘mous’ op elkaar en brengt die vlug in de kelder. Dan volgt de omsingeling en huiszoeking bij hen thuis. Ze worden niet ontdekt. Vrouw Boer blijft uiterst kalm en zegt tegen de landwachter die door het plafond wil schieten dat dan maar te doen, maar dat het niet zal helpen, omdat er niemand kan zitten. Er wordt vervolgens niet geschoten. Haar kalmte redt haar.

Eind 1944 krijgen ze evacués uit Limburg toegedeeld. Het gezin Boer twijfelt wat te doen, zelfs buren en vrienden weten niets van de joodse vrouwen op hun zolder. Wat voor extra risico haal je met nog meer mensen in huis vragen zij zich af.

Ze hebben immers al ervaring. Er kwamen eens onverwacht vrienden van verweg langs. Tot overmaat van ramp wensen die twee nachten te blijven slapen. Het gezin Boer vertelt dan niets over de onderduikers op zolder. De vrienden kijken na de oorlog vreemd op, dat er tijdens hun bezoek ook drie joodse vrouwen in huis hebben gezeten.

Er wordt besloten dat de evacués toch in huis mogen blijven door hen in vertrouwen te nemen. Het vertellen is een risico, maar de evacués kunnen naar hun inschatting ook als vlag dienen om de lading van de drie onderduikers te dekken. Dat blijkt gelukkig te kloppen, waardoor de drie joodse vrouwen het eind van de oorlog halen. De meeste joden van Roden en Leek hebben de oorlog niet overleefd, zoals de man van Jet Polak. Van de joden van Roden en Leek zijn 92% effectief gedeporteerd en omgebracht.

 

Principes

Vrouw Boer is gepokt en gemazeld in Middelstum in de meest zuivere leer van de Reformatie, waartoe ook barmhartigheid behoorde.

Waarom werd juist zij gevraagd als onderduikadres?

Van haar is bekend, dat ze niemand buiten laat staan, als er een beroep op haar wordt gedaan. Zo krijgt ze allerhande volk over de vloer.

Vaste prik is zwerver Harm Tuin uit Westerwolde, die zeker eens per jaar langs komt en bij hen in het hooi kan overnachten. Ook kaaskooplui uit Zwaagwesteinde of andere gasten kunnen steeds bij Anje Boer terecht. Voor mensen is ze niet bang. Wat voor ongure typen het ook lijken en onderdak vragen, het maakt haar niet uit. En op den duur weten de mensen dat. Zo komt ook de vraag om joden onderdak te verlenen haar kant op. Anje Boer kent wel angst, zo is ze bang voor zwaar onweer en inslaande bliksem, overgehouden aan de dreigende luchten boven het Groningerland van Middelstum.

Gonda zal haar enige dochter naar Anje vernoemen.

 

Lied Gonda Gans

Na de oorlog maakte Gonda een tekst over haar onderduikperiode op de wijze van ‘Lily Marleen’. Hier enkele coupletten:

 

            Altijd op een kamer

            Dat viel lang niet mee

            Even soms de schuur in

            Vlug, vlug naar de wc

            ’t Was bij vrouw Kruier in de schuur

            ’t Mocht per persoon nog geen half uur

            Dat weet ik nog secuur

 

            ’t Ging toen naar vrouw Boer toe

            twee en een half jaar

            Bleven wij in vreze

            En blijdschap bijelkaar

            Sultan kwam met appel peer

            Met taart en snoepjes en nog meer

            Sultan ik dank je zeer

 

            Vijf maal kwam de landwacht

            Door die graverij

            Want de Boertjes waren

            Daar geen van drieen bij

            Harm werd gesnapt en opgestuurd

            Dat heeft tot ’t eind zo voortgeduurd

            En ons heel zwaar bezuurd

 

            Kruier, Hut en Bulthuis

            Heide, Kalfsbeek

            Torensma en ieder

            Die zeer goed Hollandsch bleek

            Wij zijn zo dankbaar voor uw daad

            Die nooit voor ons verloren gaat

            En ons nu leven laat

 

                                               De sultan is Jan Sikke Aukema.

 

Anje Boer overlijdt in 1977. Postuum krijgt ze het erelidmaatschap van de joodse school in Leek aangeboden.

Als je aan Harm Boer vraagt wie voor hem de belangrijkste Nederlander is, dan weet hij dat precies: “zijn moeder.”

 

 

K.J. Heijmans en de joden

 

   

Koen Jan Heijmans

 

In oktober 1943 gaan de marechaussee Koenraad Jan Heijmans en zijn vrouw Joela de Lange, van joodse komaf, onderduiken. Koenraad moet zijn vrouw dan bijna meesleuren. In het begin van de oorlog heeft hij nog demonstratief de jodenster van zijn vrouw aan de voordeur van hun huis aan de Leeksterweg genageld. Dochter Berty wordt in 1943 geboren.

Sommige joodse families wonen al 150 jaar in deze streek, veelal als kooplui.

In Roden zullen van de twaalf joden er twee de oorlog overleven, Joela de Lange en haar in 1943 geboren dochter Berty.

Hoe was hier de sfeer voor de joden in de oorlogstijd?

 

Roder Journaal april 1985:

Veel joden in ons land leefden al voor de oorlog met de dreigende angst van wat hen te wachten kon staan. Henny Kramer-van Bergen weet dat uit eigen ervaring te vertellen. Voor de oorlogsperiode werkte ze in de wintermaanden wel ’s bij de familie Oudgenoeg, die een slagerij aan het Oosteinde had.

“Toen kregen die mensen al dreigbrieven. Ook al was ik toen nog erg jong, ik herinner me nog goed, dat mevrouw Oudgenoeg tegen me zei: Henny, als er ooit nog een keer wat gebeurt hier, dan worden wij allemaal vergast. En ze heeft gelijk gehad. In de oorlog is de hele familie door de landwachters opgehaald. Vader en moeder Oudgenoeg, en de beide kinderen Saartje en Jacob. Allemaal zijn ze meegenomen. “En we hebben nooit meer wat van ze gehoord.”

 

Uit De Joodse Gemeenschap Westerkwartier, Peize, Roden 1985: De joodse kooplieden en slagers werkten hard en hadden doorgaans veel contacten buiten het dorp. Het maakte hen tot geduchte concurrenten. Onvrede met het economisch succes van joodse kostwinners was een component van antisemitische gevoelens. Een ander was het idee dat de joden een vreemd element vormden in de eigen, verder zo vertrouwde, leefomgeving. Ze spraken onderling een onbegrepen taal en beleden een onbegrepen godsdienst. Dat wekte wrevel.

Het wordt voor de joden steeds lastiger om de opgewektheid vol te houden. “Mijn ouders zijn zo angstig,” zegt een dochter van joodse ouders in 1938. Wat afschrikte trok tegelijk aan. Slager Samuel Oudgenoeg heeft eens een toogdag van de NSB in Roden bezocht. Spreker was de leider, Anton Mussert. Oudgenoeg had een stok bij zich om in geval van nood van zich af te kunnen slaan.

Het gevoel van dreiging wordt steeds groter. Maar de eerste indruk na de schrik van de bezetting was er een van opluchting: het valt mee en het leven gaat door. In het begin wordt hardnekkig vastgehouden aan het gewone, vertrouwde, gezellige leven.

 

Kerend tij

Het tij keert in 1942. In juli van dat jaar moet Joela Heijmans met een ziekenauto naar Groningen gebracht worden voor een bevalling. Ze moeten echt leuren langs ziekenhuizen, want niemand wil een jodin opnemen. Tenslotte neemt een ziekenhuis haar toch op en ze brengt een gezond kind ter wereld. Maar dat jongetje is op de derde dag op een onverklaarbare manier plotseling dood.

In 1942 beginnen ook de deportaties uit Roden. De jonge mannen van de joodse gemeenschap vertrekken als eersten in september 1942, daarna volgen in november de vrouwen, kinderen en ouderen.

De politie en het gemeentebestuur verrichten de taak die de Duitsers van hen verwachten. Zij zorgen er in Roden voor dat de joden zonder veel drukte vertrekken. Wie een dienstbevel zou weigeren, zoals in Grijpskerk eens gebeurde, wordt naar een kamp gebracht. Het is het jaar 1942. In oktober, vlak voor de laatste deportatie, gaan de familie Heijmans en drie joodse vrouwen uit Leek onderduiken.

 

Heijmans

Koenraad Jan Heijmans is fel anti-Duits in zijn uitlatingen. Op 13 mei 1940 doet hij als marechausseelid van het Keurkorps-Politietroepen mee aan de begeleiding van de treurige reis van koningin Wilhelmina van Den Haag naar Hoek van Holland voor vertrek naar Engeland. Een niet ongevaarlijke gebeurtenis. In Roden is Heijmans betrokken bij het verzetswerk, pleegt waar mogelijk sabotage, brengt pamfletten rond en brengt o.a. drie joden naar een schuilplaats in Utrecht. Heijmans kan met passie praten, is heel ondernemend en heeft een groot gevoel voor rechtvaardigheid. In oktober 1942 weet Heijmans zijn vrouw en drie joodse vriendinnen te bewegen onder te duiken. Na een kort verblijf in het ‘werkhuis’ gaan de drie vrouwen uit Leek naar weduwe Boer en zullen daar de oorlog overleven. Heijmans en zijn vrouw vertrekken naar Gerhardus Baving in Nieuw Roden, waar hun dochter Berty in juli 1943 ter wereld komt. Tijdens Heijmans’ onderduiktijd brengt hij in december nog drie joden uit Leek over naar een schuilplaats.

Op 23 december 1944 komen landwachten Heijmans en Baving oppakken, om hen via Norg naar Duitsland af te voeren. Baving zal in de nasleep van de oorlog sterven. Heijmans komt na kamp Neuengamme in het begin van mei 1945 op de boot Cap Arcona in de Oostzee bij Lübeck terecht. Hij krijgt de gelegenheid om over te stappen op een andere, zeer slechte ‘dodenboot’. Heijmans besluit dat niet te doen, maar zijn schip wordt per ongeluk door een bom van de Engelsen getroffen: 5.000 opvarende gevangenen uit Neuengamme komen daarbij om. De Engelsen staan dan al aan de walkant en doen een poging nog zoveel mogelijk mensen te redden. Heijmans is daar niet bij, hij is op zee gebleven.

 

Joela Heijmans en Berty

Joela, de vrouw van Heijmans, en dochter Berty worden op 4 januari 1945 op bevel van de SD uit Norg opgepakt en naar het ‘badkuiphuis’ in Norg gebracht. Ze blijven daar een nacht, er volgt een verhoor, maar geen marteling, en dan gaan ze op 6 januari door naar Westerbork om in barak 12 terecht te komen. Daar blijven ze totdat Westerbork op 12 april wordt bevrijd. Er is een verklaring van 5 mei van de tijdelijke kampcommandant, dat ze toestemming krijgen het kamp te verlaten.

Na de oorlog komen moeder en dochter terug in Roden en worden tot oktober door de Scheepstra’s aan de Brink opgevangen. Vervolgens kunnen ze naar een gevorderd huis aan de Kanaalstraat vertrekken. Na korte tijd moeten ze, evenals hun tijdelijke buren Kramer, weer vertrekken, omdat de oorspronkelijke bewoners terugkeren. Joela schrijft in september 1945 een brief aan de koningin om beklag te doen over de slechte medewerking en schamele pensioenuitkering van overheidsinstanties. Had mijn man niet veel beter een twijfelnummer kunnen zijn en commies van de marechaussee moeten blijven om na de oorlog voor zijn gezin te kunnen zorgen, vraagt ze zich af. Moeder en dochter krijgen in elk geval de woning Heerestraat 22, naast Blaauwiekel toegewezen. Ze blijven ruim vijf jaar in Roden wonen in de ijdele hoop dat Koen Jan nog terug zal keren. Jaren na de oorlog heeft eens midden in de nacht iemand in de Heerestraat stenen door het raam gegooid, die ook nog dreigde binnen te komen om hen dood te schieten. Hij schreeuwde dat hij wist waar Heijmans naar toe was gegaan. Op hun hulpgeroep hebben overburen hen ’s nachts met een ladder bovenuit het huis gehaald. Ondanks duidelijke voetsporen heeft de politie niemand in de kraag gegrepen.

 

Berty Heijmans

In de nasleep zijn de gevolgen van de oorlog vaak merkbaar. Je kunt wat gebeurd is wegduwen, maar het duikt toch steeds weer op. Je staat eenzaam in de wereld, want niemand zit op jouw verhaal te wachten. Een kinderfoto uit de oorlogstijd van moeder met dochter heeft Berty niet, omdat ze niet samen in beeld mochten komen. Het leven blijft getekend door de sporen uit het verleden. Haar moeder heeft eens een uitnodiging gekregen om tegen Luitjens te getuigen, maar zij wilde dat toen niet meer doen. Ze was er te moe van geworden.

Berty is nu nog de enig overgebleven persoon van joodse afkomst uit Roden uit de oorlogstijd. Dit heeft ze vooral te danken aan het optreden en ingrijpen van haar vader.

 

 

Vlucht en veroordeling Jaap Luitjens

J. Aukema

 

Jaap Luitjens

 

In de Nederlandse pers is meer over Jaap Luitjens geschreven (ook Jacob en Jake genoemd), dan in de lokale pers.

Jaap Luitjens’ laatste openbaar optreden is in 1995 in het televisieprogramma Nova, kort na zijn twee jaren durende gevangenschap. Hij was de laatst veroordeelde oorlogsmisdadiger in Nederland. Hij zit dan in Nederland op een geheim adres, is zijn paspoort kwijt en is statenloos. Het burgerschap van Canada heeft hij waarschijnlijk niet teruggekregen. Zo is hij uit beeld geraakt. De straf zit er op.

 

Achtergrond

Jaap Luitjens is geboren in 1919 bij Buitenzorg op Java, waar zijn vader veearts Steven Luitjens tot 1923 verblijft. De ‘oude’ Luitjens komt oorspronkelijk uit Adorp, is getrouwd met Martje Westerdijk. Ze krijgen behalve de oudste zoon Jacob de kinderen Anneke, Dieneke, Truus en Piet.

Dochter Anneke trouwt met ene dominee Postma, die later in de vluchtroute van Jaap na de oorlog een belangrijke rol zal spelen.

Hun nu afgebroken huis in Roden stond aan de weg naar Groningen en werd in 1923 gekocht. De Luitjens noemden het huis ‘Soeka Negara’ (Ik zoek een woonplaats/negorij), naar hun tijd op Java.

Steven Luitjens heeft in Roden veel contact met boeren en stond niet alleen bekend als een goede veearts, maar ook als pleitbezorger van de NSB. De oude Luitjens kan heel goed de boeren overtuigen. Hij laat zijn kinderen als eerste met de Nationale Jeugdstorm door Roden marcheren, waarna vele anderen volgen. Na de oorlog ontloopt veearts Luitjens ternauwernood een echte bijltjesdag. Hij zit zijn straf uit, maar komt toch weer als veearts in het dorp terug, om in 1963 te overlijden. Velen zien hem als het brein op de achtergrond.

Jaap in oorlogstijd

Zoon Jaap heeft een aangeboren afwijking, er ontbreken vingers en een arm is iets korter. Dat zal hem later bij de opsporing in Canada opbreken. Jaap volgt kort een veeartsenij-opleiding, maar moet deze studie vanwege het gebrek aan zijn hand afbreken om vervolgens in Groningen rechten te gaan studeren. Daar propageert hij opvattingen over een groot Germaans rijk, wat zijn medestudenten niet zo kunnen waarderen. In Roden marcheert hij mee in de Nationale Jeugdstorm, wordt in 1941 lid van de boerenwacht van de NSB en in 1944 lid van de Landwacht. Meestal loopt Jaap Luitjens in een groen pak, met een echt geweer, terwijl andere landwachtleden een zwart pak dragen met jachtgeweer. Jaap is dan hoofd van de opsporing, arrestatie en wegbrenging van arrestanten naar Assen, Norg en Groningen. Hij is actief betrokken bij de klopjachten, waar zijn vader meer op de achtergrond dirigeert. In de landelijke pers praat men over de ’schrik van Roden’, onduidelijk latend wie dat is, de vader of de zoon. De combinatie van de twee was voor velen zeker een schrik in het dorp. De moeder poogt beiden van extreme daden te weerhouden.

Jaap wordt later veroordeeld op basis van bewezen betrokkenheid bij de dood van Jan Jans in oktober 1944 bij het Scholtenhuis en bij het doodschieten van een Duitse deserteur Walter Korber, maart 1945. Vader Luitjens verklaart bij de laatste ter plekke, dat de dood van Korber zelfmoord is geweest. De dienstdoende arts weet dat dit onjuist is, vanwege het ontbreken van schroeiplekken. Hij beseft ook dat een andere verklaring hem in de problemen zal brengen. Een schriftelijke bevestiging van zelfmoord volgt. Hendrikus de Vries (zwarte Rieks) heeft alles gevolgd en zal later voor het gerecht duidelijk maken wat er is gebeurd en waarom de arts die verklaring wel moest afgeven.

 

De vluchtroute

Na de bevrijding van Roden op 13 april 1945 meldt Jaap Luitjens zich op 18 april onder druk aan bij de nieuwe autoriteiten. Hij wordt eerst opgesloten in het interneringskamp van de grasdrogerij, achter de zuivelfabriek, dan in Veenhuizen en vervolgens in Westerbork. Zijn zwager Postma komt ook in Veenhuizen terecht. Jaap ontvlucht uit Westerbork en maakt gebruik van de kennis van zijn zwager, die eveneens is ontsnapt. Door zijn vlucht wordt Luitjens bij verstek tot levenslang veroordeeld en ontloopt op dat moment zijn straf. Het maakt hem later tot de laatste te berechten oorlogsmisdadiger van Nederland. De twee heren belanden in de Oekraïne, waar veel Duitsers met een Menno­nieten achtergrond zijn neergestreken. Die Mennonieten krijgen het daar in 1946 moeilijk, omdat de teruggekomen Russen niet op hen zijn gesteld. Drie grote vluchtschepen vervoeren de Duitse Mennonieten naar Argentinië om vervolgens in Paraguay terecht te komen. Jaap Luitjens weet zich als Gerhardt Harder op het eerste vluchtschip in te werken. Hoe hij dat gepresteerd heeft is onbekend, want er zijn heel veel mensen die staan te dringen om op de eerste boot weg te komen. Wel neemt Luitjens ene Wiebe mee, mogelijk is dat zijn zwager Postma, maar die zegt dat hij met een ander schip is vertrokken. Jaapt Luitjens komt dan als Gerhardt Harder in Paraguay aan, een land waar veel nazi’s naar toe vluchten. De latere president Stroessner komt uit deze kring, deels bestaand uit de grote Mennonieten­gemeen­schap. Luitjens zit daar veilig.

In 1950 wordt Jaap leraar aan een middelbare school in Fernheim en vraagt aan de Mennonieten vergeving over wat hij in de oorlog heeft gedaan. Hij herneemt zijn eigen naam en noemt zijn oudste zoon Gerhardt, naar zijn vluchtnaam.

In 1961 vertrekt hij met zijn gezin van vrouw en drie kinderen naar Canada. Bij aankomst geeft hij aan dat hij geen crimineel verleden heeft, een leugen die hem later het Canadees staatsburgerschap zal kosten.

In 1963 wordt Jaap (nu Jake) Luitjens een populair docent plantkunde aan de universiteit van Brits Columbia in Vancouver. In 1970 krijgt hij het Canadees staatsburgerschap.

 

Opsporing

Luitjens heeft pech in Vancouver. De wereld is groot, maar ook klein. Twee uitersten uit Roden gaan elkaar in Canada ontmoeten. In 1958 is Bandringa naar Canada geëmigreerd. Tijdens de oorlog heeft hij eens in Nieuw-Roden het rood wit blauw op de verjaardag van de koningin uitgehangen met als argument dat die vlag ook een keer gewassen moest worden en buiten moest drogen. Bandringa heeft contact met Ate de Wit die eveneens naar Canada is vertrokken. Ate de Wit was een fel verzetsman, die vader Luitjens steviger had willen aanpakken. Hij is mede uit teleurstelling over de naoorlogse gebeurtenissen in Roden en Nederland naar Canada vertrokken. Naoorlogs Nederland is niet geworden wat hij had gedroomd en hij kan het ook moeilijk verkroppen dat veearts Luitjens zijn praktijk in Roden weer met een aardige klandizie kon oppakken. In 1982 lekt via het netwerk van emigranten en oud-verzetsmensen van Roden uit, dat Luitjens in Canada zou kunnen verblijven. De Wit volgt het spoor naar Vancouver, naar de universiteit, en herkent Luitjens direct aan zijn hand.

 

De zwager

Postma, de zwager van Luitjens, is ook in Fern­heim in Paraguay terecht gekomen. Hij was tijdens de oorlog een paar dagen burgemeester van Meppel, had een radiopraatje over Mennonieten in de Oekraïne voor een foute zender gehouden en was bij verstek tot 3 jaar wegens collaboratie veroordeeld. In 1958 zal Postma promoveren op de Mennonica vluchtelingen, hij is dan een ervaringsdeskundige. Postma komt terug naar Nederland, wordt predikant in Friesland en ook voorzitter van de plaatselijke voetbalclub. Die combinatie van taken wekt de interesse van journalist Kooistra van het Friesch Dagblad, die hem daarover interviewt. In een nagesprek weet Postma boeiende anekdotes te vertellen over de Mennonieten in Oekraïne en Paraguay. Hij heeft pech, Kooistra ziet zich zelf een beetje als de Simon Wiesenthal van Nederland. Naderhand gaat er bij Kooistra een lichtje branden, legt de verband met Luitjens en bijt zich vast in deze zaak.

Als Ate de Wit in Vancouver Luitjens herkent volgt er een publicatie in het Friesch Dagblad. De hoofdredacteur van deze krant vindt dat Kooistra niet teveel moet doordrammen over het oorlogsverleden, waarna Kooistra de informatie doorsluist naar het emigrantenblad voor Nederlanders in Canada The Windmill Herald. De redacteur van der Heide gaat dan in Canada voor de nodige publiciteit zorgen. Luitjens mag dan opgespoord zijn, hij is nog niet in Nederland.

 

Processen

Via de publiciteit van Kooistra en het emigrantenblad The Windmill Herald raakt de zaak in Canada aan het rollen. In 1983 volgen openbare optredens van Luitjens voor de tv bij Fons van Westerloo en komen er verhalen in de pers o.a. in het Nieuwsblad van het Noorden. In 1988 volgt een rechtzaak in Canada. Studenten nemen het op voor hun populaire docent Jake Luitjens. Ze willen hem niet kwijt. In totaal worden 26 mensen uit Roden ondervraagd, waarvan enkelen naar Canada afreizen. Een aantal opgeroepen getuigen kan niet de energie opbrengen te verschijnen. Luitjens heeft in Canada weer de pech, dat een belangrijke autoriteit oorspronkelijk uit het Gro­ninger­land komt en directe banden heeft met personen uit het verzet in Roden. De handel en wandel van Jaap Luitjens is daardoor ook bekend bij belangrijke beslissers in Canada. In 1991 wordt Luitjens aan Nederland uitgeleverd en wordt hem het Canadees staatsburgerschap ontnomen.

Dan volgt het proces in Nederland met de vele getuigen en de krantenverslagen. De pijn van Roden ligt weer op tafel. Voor velen in het dorp hoeft dat niet.

In 1993 bijna 50 jaar na zijn dood worden de stoffelijke resten van Walter Korber opgegraven. Geconstateerd wordt dat zelfmoord uitgesloten is. De dan zeer oude ouders van Walter getuigen voor het gerecht dat hun zoon nooit zelfmoord zou plegen. De rechter acht de aanklacht bewezen en veroordeelt Luitjens tot twee jaar gevangenisstraf. Postma is in Friesland gaan wonen, Luitjens komt in 1995 vrij.

 

Vergeving

Jaap Luitjens verklaarde in interviews dat hij zich prettig voelde bij de Mennonieten, omdat die het verleden lieten rusten en in Paraguay in principe niet tegen elkaar getuigen. Gereformeerden vindt hij fel in het verzet, fel tegen foute mensen, minder vergevingsgezind en meer uit op wraak.

Luitjens heeft zijn straf gehad, heeft vergeving gevraagd in Paraguay binnen zijn groep, maar voor nabestaanden van slachtoffers in Roden is dat geluid niet erg duidelijk overgekomen.

 

Bronnen:

Friesch Dagblad 27/10, 1982

VN 24/9, 1988

Nieuwsblad v.h. Noorden 10/4, 1989, 12/11, 1991, 25/11, 1992

Panorama nr. 32 (1989)

NRC 20/2, 1993

 

 

De NSB kant van de bevrijding

 

   

Voormalige Scheepstraschool waar de aangehouden NSB-ers werden vastgezet.

 

Geen wanklank werd gehoord, om elf uur was alles rustig.

Dat is de afsluitende zin van het verslag ‘De eerste dagen van de bevrijding van Roden’ opgemaakt door meester Troelstra, van 1941 tot 1954 hoofd van de bijzondere lagere school in de Kanaalstraat. In schril contrast met deze afsluiting van het verslag op 5 mei 1945, staan de gebeurtenissen welke plaatsvonden in de drie weken die hieraan voorafgingen. Het verslag begint met 13 april 1945 als alle tekenen wijzen op de naderende bevrijding. De dag tevoren was men in Roden al getuige van vluchtende NSB-ers die voor de Canadezen uit, vanuit het zuiden naar het noorden trokken. Volgens de berichten hadden de Canadezen Assen bereikt en lang kon het niet meer duren of ook Roden zou worden bevrijd. Die Roners die zich aan de zijde van de Duitsers hadden geschaard, werden naarmate de bevrijders Roden naderden steeds openlijker geconfronteerd met bedreigingen en uitingen van afschuw over hun steun aan de bezetter. Zij maakten zich ernstig bezorgd over het lot van henzelf en hun familie straks bij de bevrijding van Roden. Voor deze bezorgdheid was in sommige gevallen alle reden. De afschuw over hun gedrag tijdens de bezetting betrof niet alleen het wachtlopen en het uitvoeren van controles in de omgeving, maar ook de handelwijze van sommigen tegenover mensen uit het verzet, zoals hulp bij mishandeling en het afvoeren van dorpsgenoten naar vernietigingskampen.

 

Vrijdag de dertiende april

Onder leiding van NSB-boerenleider Hagenauw en groepsleider Van der Veen werden binnen die kringen, in het zicht van de naderende Canadezen, plannen ontwikkeld om voorafgaand aan hun vlucht uit Roden nog een aantal vooraanstaande Roners te doden, waarschijnlijk bedoeld als waarschuwing maar ook uit  frustratie over de onvermijdelijke nederlaag.

Dat het zover niet is gekomen en Roden daarmee in het zicht van de bevrijding aan een tragedie is ontsnapt, is mede de verdienste van meester Troelstra. Op zijn initiatief werd op vrijdagmorgen de dertiende april 1945 op het gemeentehuis een overleg gestart met de in der haast opgeroepen vertegenwoordigers uit de Rodense gemeenschap enerzijds en de op dat moment nog in het ambt zijnde NSB-burgemeester Spijkerman, gemeentesecretaris Jan Kemkers, boerenleider Hagenauw en groepsleider van der Veen. In het eerste overleg en het vervolgoverleg op diezelfde dag weet meester Troelstra de tegenpartij te overtuigen van het hopeloze van hun zaak en op basis van garanties voor de veiligheid van de vrouwen en kinderen van de NSB-ers het geplande bloedbad te voorkomen.

Tijdens het laatste overleg in de late middag van die dertiende april ontstaat er lawaai buiten het gemeentehuis. Het zijn de gevechtswagens van een eerste verkenningseenheid Canadezen, die vanuit de richting Nieuw-Roden het dorp bereiken en stoppen op de Brink. Dit is voor NSB-ers het sein om op te springen en het gemeentehuis uit te vluchten. Gelukkig was men toen al tot een akkoord gekomen dat een bestuurlijke chaos moest voorkomen en het eigen rechter spelen zoveel mogelijk zou moeten tegengaan. Het volledige verslag van meester Troelstra van deze cruciale vrijdag de dertiende april bevindt zich in het gemeentearchief van Noordenveld. In de uitgave Roden 1940-1945, uitgebracht door de Historische Vereniging Roon in 1995 wordt uitgebreid verslag gedaan van de feiten uit dit verslag.

Aanhouding NSB-ers

Wat vanaf dat moment van de bevrijding door de Canadezen het einde van de terreur inluidt, betekent voor de plaatselijke NSB-ers het begin van een zware periode van tegen hen gerichte woede en emotie. De leden zelf worden direct opgepakt en geïnterneerd in afwachting van het onderzoek naar hun gedrag gedurende de bezettingsperiode. Bekend is, dat dit oppakken niet zachtzinnig gebeurde en in het hele land tot excessen heeft geleid. De gebeurtenissen in Roden vormden hierop geen uitzondering. Het kaalscheren was in verhouding nog een vrij onschuldige handeling. Ook eigendommen van de NSB-ers waren niet veilig. Van sommige werden de bezittingen verbeurd verklaard, van andere werd bij afwezigheid van de eigenaar van alles uit het huis geroofd. Na hun veroordeling volgde afhankelijk van de ernst van geconstateerde feiten een aantal maanden of jaren heropvoedingskamp. Nu, zestig jaar later, moet worden erkend dat in sommige van deze kampen een waar schrikbewind werd gevoerd. In een enkel geval waren de omstandigheden zo slecht, dat het beeld opdoemt van verschrikkingen die alom bekend zijn uit de concentratiekampen van de Duitse bezetter.

 

Persoonlijke ervaringen NSB-ers

Zestig jaar na de bevrijding van Roden is een tweetal NSB-ers, op basis van anonimiteit, bereid geweest hun verhaal te vertellen over die vrijdag de dertiende april 1945. Ook kinderen van NSB-ers zijn na de oorlog geconfronteerd met het verleden van hun ouders. Dat is niet altijd prettig geweest. Ook dat is een onderdeel van het verhaal van de bevrijding van Roden in die zo bijzondere dagen van april 1945.

 

Een verhaal

Ik ben lid van de NSB geworden, want daardoor hoefde ik niet naar Duitsland te werken. Wel moest ook mijn vader lid worden, en dat is gebeurd. Een onderdeel van de NSB was de WA wat feitelijk de Landwacht was. Deelneming aan de Landwacht was verplicht. Aan het hoofd stond Van der Veen. De WA gaf ons de mogelijkheid om na de oorlog als politiefunctionaris verder te gaan, zo werd beloofd. Als de Landwacht in die tijd goed functioneerde, bleven de Duitse soldaten op afstand en kwamen niet in het desbetreffende dorp. Ik heb nooit overwogen om tijdens de oorlog het NSB-lidmaatschap op te zeggen. Eigenlijk had je geen keus; als ik er mee was gestopt, was mijn leven niets meer waard geweest. Je werd vogelvrij verklaard. Aan het lidmaatschap waren geen speciale privileges verbonden. We leerden wel al jong om anders met geld om te gaan. Velen kwamen nadien goed terecht en hadden een eigen bedrijf. Tijdens de oorlog werd naar mij toe niet anders gereageerd dan daarvoor. Achteraf kwamen er wel reacties. Men was vermoedelijk bang en hield zich daarom stil. Het was oorlog, er golden andere wetten dan voorheen. Een gevecht tussen arbeid en kapitaal. De heren Hagenauw en Van der Veen maakten als hoofd van de Landwacht de dienst voor ons uit. Ik had mij de bevrijding heel anders voorgesteld en nooit verwacht dat de Rodenaren ons zo zouden haten. Ik heb kort ondergedoken gezeten toen de bevrijding zich aandiende.Toch ben ik opgepakt net als de anderen. We moesten naar de school in de Schoolstraat, waar we werden kaalgeschoren. Na twee maanden achter de melkfabriek vastgezeten te hebben  bleven ze ons nog haten. In die twee maanden moesten we, onder begeleiding van een oppasser, werken op de boerderij van Torensma in Leutingewolde. We kregen weinig te eten. Daarna gingen we naar Veenhuizen, waar we lopend naartoe moesten. We hadden het daar slecht en kregen opnieuw weinig eten. De werkzaamheden bestonden uit het onderhoud van grote tuinen. Ik kreeg daarnaast een huishoudelijk baantje, waaronder het schrapen van wortels, waarbij je stiekem het schraapsel in één hap doorslikte, zodat het niet opviel. Na een half jaar was Westerbork de laatste halte. Onder zeer slechte omstandigheden moesten o.a. aardappelen worden gerooid. Daarbij kwamen de rode wormen te voorschijn. Deze werden door ons uitgeknepen en verorberd, want we kregen weinig te eten. De gezondheid van de mensen ging met de dag achteruit en men werd steeds magerder. Bij de aanvang van de dag moesten we naakt op het appél verschijnen, terwijl velen zo ziek waren als een hond.

Achteraf vind ik het heel jammer en is het onnodig geweest dat de Duitsers vele mensen de dood hebben ingejaagd. Persoonlijk ervaar ik vanuit mijn omgeving, nu zestig jaar na de oorlog, geen andere houding als gevolg van de keuze die ik heb gemaakt in de oorlog. Nogmaals, en dat meen ik oprecht, de bevrijding van Roden in april 1945 had ik mij heel anders voorgesteld.

 

Nog een verhaal

Mijn vader was lid van de NSB. Mijn moeder was geen lid. Het lidmaatschap was persoonlijk. Ik ging naar de jeugdclub van de Landbouwmaatschappij. De reden om lid te worden was armoede. De NSB-partij beloofde in de slechte jaren dertig verbetering in de landbouw. Boeren, maar ook middenstanders, werd betere vooruitzichten beloofd. Het was bekend dat ik bij de NSB behoorde. Behalve het rondbrengen van het NSB-orgaan Volk en Vaderland heb ik in de oorlog met nog vier personen wachtgelopen bij het hoofdkantoor aan de Kanaalstraat in het pand van de ondergedoken boderijder Dijkstra. Direct na de bevrijding ging ik op eigen initiatief naar het gemeentehuis in Roden. We zaten twee maanden vast in de grasdrogerij achter de zuivelfabriek. Van daaruit moesten we met een groep van ongeveer 40 personen naar de Molenbrug over het Peizerdiep om deze, onder het toeziend oog van een aantal bewakers, te herstellen. We moesten verplicht zingen. Daarna werd ik overgeplaatst naar Veenhuizen. Een half jaar lang deed ik daar dorsmachinewerkzaamheden en moest ik turfzetten in het Fochtelöerveen. Dit alles onder mensonterende omstandigheden en zonder voldoende voeding. Hoewel de behandeling in Veenhuizen slecht was, verging het ons in Westerbork nog erbarmelijker. De hygiëne was ver te zoeken. Difterie was aan de orde van de dag. Je moest minstens veertig graden koorts hebben eer je werd geholpen. Velen stierven om ons heen door ondervoeding en ziektes. In de ochtend, als we naakt moesten aantreden, zakten regelmatig personen in elkaar; ze werden afgevoerd. Een paar stukjes kaal brood, dat was alles wat we kregen. Al met al heb ik drie en een half jaar straf gehad. Het speelde een grote rol bij welke werkzaamheden je werd ingedeeld om dit alles te doorstaan.

Mijn mening over de NSB is na de oorlog niet veranderd. Ook heb ik geen problemen gehad vanuit mijn omgeving. Een enkel persoon schold je wel eens uit, maar dat werd geleidelijk aan anders. Het NSB-verleden speelt in mijn persoonlijke leven geen rol meer. Het leven gaat door en ik ben ervoor gestraft. Ik heb geen spijt, omdat men ons toen betere tijden had beloofd. Overigens hebben wij thuis ook diverse stedelingen in huis gehad die, door armoede en hongergedreven, elders probeerden te overleven en op verhaal probeerden te komen.

 

Een verhaal van het kind van....

Voor mij betekent het kind-zijn van een NSB-er in Roden je hele leven geconfronteerd worden met de gevolgen hiervan. Op het moment van de bevrijding in 1945 was ik te jong om te begrijpen waarom mijn vader werd opgepakt. Wel begreep ik dat er iets heel ernstigs aan de hand moest zijn. Dat voelde je wel door het grote zwijgen thuis en de reacties uit de omgeving. Het in het gezicht spugen door volwassenen en het uitschelden is iets wat ik mijn leven niet zal vergeten. Achteraf begrijp ik ook dat dit de mensen waren die direct na de bevrijding met de borst vooruit en het geweer op de schouder de held uithingen. Juist door deze mensen zijn naar de NSB-ers toe verschrikkelijke dingen gebeurd. Toen mijn vader terugkeerde uit gevangenschap werd er geen woord gewisseld over zijn houding tijdens de oorlog en de gevolgen hiervan. Toen ik op latere leeftijd met anderen naar dansavonden ging werd ik ook daar nog regelmatig geconfronteerd met opmerkingen over het NSB-verleden van mijn vader. Dat was voor mij reden om thuis te blijven. Wat er ook is gebeurd, je laat je eigen ouders niet vallen. Doordat je behoorde bij een ‘speciale’ bevolkingsgroep had je ook het gevoel dat je geen beroep kon doen op anderen. Je moest je eigen boontjes doppen. In de loop der jaren is dat wel afgevlakt, maar nooit volledig verdwenen. Toen ik op het punt stond te trouwen werden mijn aanstaande schoonouders door de buren gewaarschuwd of ze wel op de hoogte waren van het feit dat mijn vader NSB-er was geweest. Politiek is voor mij een volledig gesloten boek, ik zal mij daar ook nooit mee bemoeien. Het feit dat ik kind ben van een ‘foute’ vader betekent een wereld van verschil in de reacties van de omgeving ten opzichte van kinderen, waarvan de vader aan de ‘goede’ kant stond. Ik begrijp het, maar toch wekt het omstreeks de meiherdenkingen wrevel, omdat we beiden geen deel hebben gehad aan de gebeurtenissen waardoor het verschil is ontstaan.

 

Bron:

Roden 1940-1945, HVR, 1995.

 

   

De voormalige grasdrogerij achter de melkfabriek. Dit was de plek waar de landwachten, na de Scheepstraschool, werden geïnterneerd.

 

 

Radio maken in oorlogstijd

 

   

Op de foto een voorbeeld van een zelfgebouwde kristalradio met zelfgewikkelde spinnenwebspoel. De draad links is de antenne, die het liefst zo lang en zo hoog mogelijk opgehangen moest zijn. De draad rechts is de ‘aarde’ verbonden met de waterleiding of centraleverwarming.

 

Ouderen onder ons herinneren zich nog de situatie in de jaren 1940-1945, toen er geen nieuwsberichten meer konden worden ontvangen, althans niet via de radio, want op last van de bezetter waren alle radio’s ingeleverd.

De zolder van het gemeentehuis in Roden stond er mee vol, zei men.

Ook elektriciteit was gedurende een lange tijd niet beschikbaar.

’s Avonds moesten er kaarsen of oliepitjes, carbidlantaarns of andere mogelijkheden worden toegepast. In sommige huiskamers stond een fiets op een schraag en als iemand erop ging ‘fietsen’, kon door middel van een dynamo op het achterwiel, een lampje worden benut.

Er werd in die tijd ook een begin gemaakt met wat nu heet ‘winning van milieuvriendelijke energie’ door middel van windmolentjes op het dak, waaraan een dynamo was gekoppeld, zodat er een gering elektrisch vermogen beschikbaar kwam.

 

15 Jaar oud

Als technisch geïnteresseerde 15-jarige jongen ging mijn belangstelling uit naar alles wat met radio en elektriciteit te maken had. Er was in die periode echter niet veel te beleven op dat gebied: het wás er eenvoudig niet.

Aan de hand van het toen bekende boek van J.C. Corver over de beginselen van de radiotechniek vatte ik moed om te proberen een ontvanger te maken, zonder radio-onderdelen, die zónder elektriciteit kon werken. Via allerlei omwegen lukte het me een koptelefoon en een instelbaar kristalletje te vinden. Het kristal kwam van mijn oom, Derk Noordhuis uit Haren. De koptelefoon kreeg ik van onze latere buurman, die mij ook wel geadviseerd heeft, de heer (Jannes) Thie van Technisch Bureau Thie uit de Heerestraat.

Cor Geluk, mijn overbuurjongen in de Kanaalstraat, kwam pas later in beeld, toen wij échte radio’s konden gaan bouwen, met radiolampen en luidsprekers en met elektrische voeding vanuit zware batterijen die wij van de Canadezen kregen. Koperdraad en andere basismaterialen waren nog wel te vinden, de soldeerbout kon in moeders kookkachel worden verwarmd en de rest kwam er ook. De afstemspoel voor de ontvanger, met het sleepcontact, moest ik met de hand wikkelen. Op de zolder van ons winkelhuis, die toen vrijwel leeg was, had ik alle ruimte om te knutselen, ergens bij de schoorsteen.

De antenne, die erg lang moest zijn, kon bijna onzichtbaar voor de tijdelijke ‘buren’ (de plaatselijke landwacht), naar de loods achter het huis van bode Dijkstra worden geleid en op het hoogst bereikbare punt worden bevestigd.

 

Kristalhelder

Eindelijk was het grote ogenblik aangebroken, alles was compleet, de koptelefoon kon worden opgezet en de antennestekker was ingeplugd. Met een draaiknopje trachtte ik het gevoeligste punt van het kristal te vinden en ondertussen met de andere hand de afstemming via de spoel te regelen. Toen kraakte er iets, heel zachtjes… De lange-golfzender van de BBC was krachtig, die vond ik al snel: muziek heel ver weg. Plat op de zoldervloer liggend, met beide handen om de schelpen van de koptelefoon geklemd, hoorde ik een mannenstem in het Engels en toen… kwam iets wat mij een koude rilling over de rug bezorgde…. “Hier is RADIO ORANJE, de stem van STRIJDEND NEDERLAND”. En er volgden nieuwsberichten. Maar het mooist kwam aan het eind van het Nederlands programma… Het WILHEMUS golfde door de ether…kristalhelder. En weer voelde ik een rilling….

 

 

Verzetsmonument in de mist

 

   

Een monument. Na 60 jaar niet duidelijk waar de namen verborgen zijn.

 

Er zou een koperen koker met namen in het verzetsmonument op de begraafplaats in Roden zijn ingemetseld. Klopt dat en waarom staan die namen niet op de buitenkant vermeld? Dat is de start van een zoektocht naar de historie van dit gedenkteken. De namen weten we ook nu nog niet en het dossier van het monument is spoorloos. De documenten zouden in het archief van de gemeente moeten liggen, maar ze zijn er niet. De oorlogsgravenstichting onderhoudt, volgens een lijst uit 1955, alleen acht aparte graven op het kerkhof. Onder het monument ligt niemand begraven.

 

Wat weten we wel?

Het gedenkteken is door bijdragen van particulieren tot stand gekomen en de gemeente heeft toestemming voor de bouw gegeven. Het moet tussen 1946 en 1948 zijn gemaakt, waarschijnlijk eind 1947. Wie bij de onthulling waren betrokken weten we uit een verslag in een krant. Hendrik Venema heeft als voorzitter van de afdeling Roden Stichting ’40-’45 het monument onthuld. Hij was ook de stimulator van de oprichting van het monument.

Op 25 februari 1946 is er een bespreking in de gemeenteraad, waarin het ontwerpplan van het monument en de plaats worden goedgekeurd. Op 11 maart 1946 staat vermeld, dat de definitieve overeenstemming nog niet is bereikt en dat B. en W. gemachtigd worden naar bevind van zaken te onderhandelen. Op 15 april 1946 is er een overeenkomst over het monument en over de weglating van namen van oorlogsslachtoffers. Architect Zondag zal een tweede ontwerpplan maken. In februari 1948 staat het monument er, omdat een gemeenteraadslid de suggestie geeft bloembollen te poten, die op 4 mei kunnen bloeien. In 1984 is er een briefwisseling met de oorlogsgravenstichting om een tekst aan de ingang van de begraafplaats neer te zetten, waar de gemeente mee akkoord gaat. Daarna valt het doek.

Wie weet er meer van?

Kinderen van slachtoffers vragen waarom de namen niet alsnog aangebracht kunnen worden. Ja, waarom niet?

 

 

Namenlijst Roden

 

30 Oorlogsslachtoffers:

 

Mei 1940

Tjebbe Homan  (35 jaar, Booneschans, sld.)

Engbert Huberts  (21 jaar, Wassenaar, sld.)

Oktober 1941

Johannes van der Wiel (58 jaar, Roden, bom)

Juni 1942

Wolter Aalders  (46 jaar, Neuengamme)

Hendrik Otter (26 jaar, Neuengamme)

Augustus 1942

Benjamin Oudgenoeg (45 jaar, Auschwitz)

September 1942

Jacob Oudgenoeg (21 jaar, Auschwitz)

November 1942

Markus Oudgenoeg  (50 jaar, Auschwitz)

Jette Oudgenoeg-Gottfriedt (48 jaar, Auschwitz)

Saartje Oudgenoeg (12 jaar, Auschwitz)

Johanna Levij-Gottfriedt (40 jaar, Auschwitz)

Levie Levij (11 jaar, Auschwitz)

Saartje Schaap (65 jaar, Auschwitz)

Ilse Oudgenoeg-Wolf  (45 jaar, Auschwitz)    

Mei 1943

Harm Bakker (26 jaar, Groningen)

Jan Postema (45 jaar, Groningen)

Tiem van Bergen (21 jaar, Roderesch)

Juli 1943

Jannes Bathoorn (19 jaar, Warnemunde, bom)

September 1943

Isidoor Dreesde (45 jaar, Auschwitz)

Betje Dreesde-Wijnberg (57 jaar, Auschwitz)

September 1944

Jan Smilda (21 jaar, Ludwigslust, ongeluk)

Januari 1945

Hendrik de Groot (22 jaar, Rostock, bom)

Februari 1945

Benjamin Scharft (45 jaar, Neuengamme)

Evert Aukema (45 jaar, Neuengamme)

Garmt de Haan (47 jaar, Neuengamme)

April 1945

Jacob Geluk (51 jaar, Neuengamme)

Eite Brink (23 jaar, Oostenrijk, ziekte)

Mei 1945

Koenraad Heijmans (33 jaar, Lübeck)

Andries Torensma (47 jaar, Sandbostel)

Augustus 1945

Gerhardus Baving (53 jaar, Roden Wilhelmshafen)

 

42 personen keren terug van verhoren en kampen: (voor zover bekend)

 

J. Piek, J. Kalfsbeek, L. Dijk, J. Dijk, D. de Haan, J.S. Aukema, W. Winter, J. Bos, R. Beuving, K. Beuving, L. Veninga, M. Bruins, A. Nederhoed, J. Postema, Kampstra, J. Pieters, H. Kok, R. Meier, J. Heijmans, B. Heijmans, A.H. Fonk, D. Fonk-Meijer, H. Boer, H. Meijer, J. Bulthuis, H. Heyenga, J. Poel, K. Been, G. Meijer, H. Gerrits, A. Meijering, A. Been, J. v.d. Laan, Joh. Thie, J. Hillebrands, J. Hoekstra, Sierenberg de Boer, S. Zuiderveld, v.d. Spoel, B. Pol, A. De Wit, H. de Vries en J. Torensma.

 

Omgekomen aan het Oostfront:

J. Lok, G. Koning

 

   

T. Homan, Rodens eerste slachtoffer van de oorlog.

 

   

G. Baving, het laatste slachtoffer.